Ooievaar

Wetenschappelijke naam

Ciconia ciconia

Engelse naam

White Stork

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

1400

Broedpopulatie

900-1000 (2015)

Geschat maximum winter/doortrek

klein aantal

Ooievaar

Ciconia ciconia

Methode

Bewoonde nesten tellen.

Tijd van het jaar

Half maart t/m eind augustus

Datumgrenzen

20 april t/m 31 juli

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

Alle door paren bewoonde nesten tellen, ook indien broedpoging niets oplevert; nesten die door solitaire vogel worden bezet niet meetellen. Bewoonde nesten herkenbaar aan broedende ouder, jonge vogels op nest, verse uitwerpselen, voedsel of eischalen op of onder nest. Vraag bij twijfel omtrent bewoning na bij omwonenden.
LET OP: Ook broedgevallen melden in de omgeving van ooievaarsdorpen (fokstations), indien het om vrij vliegende vogels gaat. Hoewel de ouders doorgaans tam zijn en een (voedsel)relatie met het ooievaarsdorp onderhouden, bestaat de kans dat de jongen tot de wilde populatie gaan behoren. Broedgevallen binnen fokstations niet doorgeven (worden reeds geregistreerd).

Interpretatie

Bezette nesten tellen.

Fusieafstand

2500 m

Bijzonderheden

Soort wordt intensief gevolgd door Werkgroep Ooievaarstelling Nederland. Bij twijfel of nestplaats al bekend is: aan SOVON doorgeven. SOVON onderhoudt contacten met Werkgroep.

Broedbiologie

Broedt vrijwel uitsluitend in menselijke omgeving, op voor de soort geconstrueerde platforms of zelfgebouwde nesten op gebouwen; een enkele maal nestelend in bomen. Eileg vooral in april. Eén broedsel per jaar, meestal 3-5 eieren, broedduur 33-34 dagen, nestjongenperiode 55-60 dagen, jongen daarna nog 7-20 dagen gevoerd.

Broedtijd

De Ooievaar was rond 1910 een bekende verschijning, met landelijk tenminste 500 broedparen. Na een decennia lange afname, vooral een gevolg van intensiever agrarisch grondgebruik, waren er rond 1990 maar 10 paren over. Het fokken, uitzetten en bijvoederen van Ooievaars, begonnen in 1969, wierp na een lange aanloop vruchten af. De stand herstelde niet alleen na 1990 maar groeide zelfs tot meer dan 800 paren. De betrokken vogels, merendeels afstammelingen van het fokproject, vertonen in toenemende mate weer 'wild' gedrag. Zo trekt het merendeel van de jonge vogels weg. De verspreiding, lange tijd sterk geconcentreerd rond de voormalige fokcentra, wordt geleidelijk ruimer. Zelfs in Oost- en Zuid-Nederland broeden tegenwoordig enkele Ooievaars. Ook over de grens in Duitsland is eenzelfde ontwikkeling gaande als in Nederland.

Buiten broedtijd

De Nederlandse Ooievaars trekken deels weg, maar minstens een vijfde overwintert in eigen land. Deze vogels zoeken bij sneeuw en vorst de bebouwde kom op of bezoeken speciale voerplaatsen. De weggetrokken vogels komen vanaf februari terug. Voorjaarstrek, deels van Deense en Duitse Ooievaars, vindt plaats van half maart tot half mei, vaak in twee gescheiden pieken. De wegtrek duurt van juli tot in oktober, met de meeste trek in augustus. Trekgroepen van soms meer dan een honderdtal Ooievaars strijken dan neer op gemaaide graslanden en overnachten wel eens op gebouwen.