Kleine Karekiet

Wetenschappelijke naam

Acrocephalus scirpaceus

Engelse naam

Eurasian Reed Warbler

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

150.000-250.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

groot aantal

Kleine Karekiet

Acrocephalus scirpaceus

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin mei t/m juli

Datumgrenzen

5 mei t/m 10 juli

Tijd van de dag

In de ochtend, vooral van schemer tot enkele uren na zonsopkomst.

Aanwijzingen

Zang (in uitgestrekte rietvelden het best vanaf hogere plek in kaart te brengen), met als aanvulling nestbouw en transport van voedsel of ontlastingspakketje (scherpe 'krrr...krrr' indicatief voor vogel met grote nestjongen of uitgevlogen jongen; lijkt echter sterk op geluid Bosrietzanger). Zangactiviteit in eerste weken na aankomst hoog, daarna op lager niveau; strooi evt. wat zandkorrels of kleine kiezels over potentieel broedbiotoop om zwijgzame vogels tot zang te provoceren (maar let op: vrouwtje kan bij opwinding korte zangstrofe voortbrengen).
LET OP: Soort kan in geschikte terreinen hoge dichtheden bereiken (nesten soms enkele meters uit elkaar) en wordt dan veelal (en soms zwaar) onderschat (ook al doordat de door elkaar heen zingende vogels moeilijk uit elkaar te houden zijn). Anderzijds kunnen vogels de langs het riet lopende waarnemer enige tijd volgen, waardoor enige dubbeltelling kan optreden. Brede rietgordels zo mogelijk zowel vanaf land als water (boot) inventariseren. Voedsel wordt ook buiten het riet gezocht (bijv. struikgewas).

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
bij 1-9 geldige bezoeken: 1 waarneming in de periode 5 mei t/m 10 juli
bij 10-13 geldige bezoeken: 2 waarnemingen waarvan 1 in de periode 5 mei t/m 10 juli
bij 14+ geldige bezoeken: 3 waarnemingen waarvan 1 in de periode 5 mei t/m 10 juli

Fusieafstand

100 m

Bijzonderheden

Aan begin broedseizoen wordt uitsluitend overjarig riet bezet, in de loop van het seizoen kan eenjarig riet ook in aanmerking komen. Late vestigingen kunnen verplaatsingen betreffen.

Broedbiologie

Sterk gebonden aan rietvegetaties, van puur tot verruigd riet maar met voorkeur voor stevig maar niet te dik waterriet. Zowel grote rietvelden als smalle stroken langs bijv. sloten. Eileg van half mei tot half augustus, vooral eind mei tot begin juli. een tot twee broedsels per jaar, meestal 3-6 eieren, broedduur 11-14 dagen, nestjongenperiode 9-13 dagen, jongen worden nog enige tijd na uitvliegen verzorgd.

Intro

Hieronder worden aanwijzingen gegeven om nesten te vinden en hun lotgevallen te volgen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor onderzoek in het kader van het Nestkaartenproject of verwante projecten. Belangrijk: ga niet zelf op pad (nesten zoeken is verboden), maar meld je aan bij Sovon (nestkaart@sovon.nl). Voor het nestonderzoek is namelijk een speciaal registratiebewijs nodig, waarmee je geen ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet nodig hebt. Voor beschermde soorten in voor het aangewezen Natura 2000-gebieden heb je daarnaast een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet nodig om de nesten te mogen bezoeken. Nesten zoeken zonder registratiebewijs en/of vergunning is illegaal, los van de zelf te regelen toestemming van de terreineigenaar. De onderzoeker wordt geacht zich volledig te houden aan de aanwijzingen in de projecthandleiding (De nestkaart, hoe, wat, waarom). www.sovon.nl/nl/content/nestkaarten

Tijd van het jaar

Van half mei tot half augustus. Legpiek in laatste decade van mei en eerste van juni, daarna op hoog niveau blijvend tot het einde van die maand. In veel gebieden ook in juli nog veel nieuw begonnen nesten. Voor systematisch populatieonderzoek is controle van eind mei tot minimaal einde van juli noodzakelijk.

Nesthabitat

Nesten merendeels in riet, zowel in overjarige vegetaties (stengels mogen echter niet te dik zijn of te ver uit elkaar staan) als nieuwe (vooral tweede helft broedseizoen), en zowel boven droge bodem als (bij voorkeur) water. Nesten buiten riet (en soms op enkele tientallen meters van water) komen in de loop van het broedseizoen in toenemende mate voor: verruigd landriet, ook wel in andere vegetaties als boerenwormkruid en wolfspoot, soms in wilgentakken of dichte struik.

Nest

Netjes gebouwde diepe kom, geweven rond verticale stengels van (meestal) riet. Niet te verwarren met andere soorten, maar onervaren waarnemers moeten oppassen in afwijkende (droge) habitat. Nesten in ruigtevegetaties kunnen vlakbij nesten van Bosrietzanger liggen. Nesten daarvan in vergelijking met Kleine Karekiet veel ondieper, slordiger (meer als die der Sylvidae, met veel uitstekende strootjes) en duidelijk opgehangen aan stengels (niet geweven rondom stengels); eieren bovendien compleet anders (enige donkere vlekjes op licht blauwe tot blauwgrijze ondergrond, vgl. Kleine Karekiet met bruingespikkelde eieren).

Aanwijzingen

Solitaire paren of kleine geïsoleerde vestigingen kunnen worden gevonden door af te gaan op zingende vogels. In wat grotere moerassen is systematisch afzoeken van rietvegetaties nodig. Hiervoor vaste (oever)trajecten wekelijks uitkammen met behulp van lieslaarzen/waadpak (of gympies en oude broek) en stok. Doorzicht in dichte rietvelden bedraagt slechts enkele meters! Loop zowel langs de waterzijde op (maar dan aan de binnenkant; nesten beter zichtbaar) als aan de landzijde, en maak zigzagbewegingen door de tussenliggende rietvelden (of kleinmazige insteken). Loop licht voorovergebogen (nest schuin van onderen best te zien) en buig rietvegetatie met stok opzij om verder doorzicht te hebben.

Attentie

Vogel niet bijzonder storingsgevoelig (al wordt het nest vrijwel altijd verlaten voordat de waarnemer gearriveerd is), maar looppaden die door riet ontstaan kunnen predatoren naar nest leiden. Derhalve proberen te voorkomen dat looppaden te dicht langs nest lopen. Door zeer regelmatig in gebukte houding rond te kijken, kunnen de meeste nesten vanaf enkele meters worden gelokaliseerd. De inhoud van het nest kan vaak vanaf 1-1,5 m worden bekeken. Let op bij het intekenen van de nesten. Door snelle rietontwikkeling zijn nesten soms moeilijk terug te vinden. Maak gedetailleerde aantekeningen en let daarbij op landschappelijke details (aanwezigheid boom of struik op oever, rommel in water); eventueel met watervaste viltstift nummer nest op zijkant rietstengel noteren (niet altijd in later stadium nog zichtbaar).

Bijzonderheden

Geliefde koekoekswaard. Eieren daarvan duidelijk groter en qua pigmentering iets afwijkend. Blijf nest bezoeken om ook hiervan uitkomst te weten, maar pas op wanneer koekoeksjong in de veren begint te komen (vanaf dag 10 en later) en, in later stadium, op de nestrand gaat zitten (die uiteindelijk door het gewicht samengedrukt wordt).

Meer informatie

Broedtijd

De Kleine Karekiet is een algemene broedvogel van rietmoerassen. Doorgaans geldt: hoe meer riet, hoe meer Kleine Karekieten. De aantallen en dichtheden in het waterrijke westen en noorden van het land zijn dan ook hoger dan op de zandgronden. Hier ontbreekt de soort over grote oppervlakte (Veluwe) bij gebrek aan biotoop. De landelijke aantallen zijn sinds ongeveer 1960 toegenomen. Vanaf 1990 vertonen ze geen duidelijke ontwikkeling meer. Van een duidelijke relatie met de neerslag in de Sahel, zoals bij de Rietzanger, is geen sprake.

Buiten broedtijd

De eerste Kleine Karekieten arriveren gewoonlijk niet voor half april en de meerderheid komt pas in de loop van mei aan. Doortrekkers, bijvoorbeeld zingende vogels in stadstuinen of heggenlandschappen zonder riet, worden tot in juni gezien. De wegtrek vindt plaats van begin juli tot ver in oktober. De trek is op een hoogtepunt eind juli en in augustus.