Bosrietzanger

Wetenschappelijke naam

Acrocephalus palustris

Engelse naam

Marsh Warbler

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

70.000-110.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

vrij klein aantal

Bosrietzanger

Acrocephalus palustris

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin mei t/m juli

Datumgrenzen

10 mei t/m 20 juli

Tijd van de dag

Kort na aankomst soms de hele dag, maar al snel vooral in de diepe ochtendschemer en vroege ochtend.

Aanwijzingen

Vooral zang (vooral direct na aankomst, stilvallend tijdens nogal synchroon verlopende eileg)en alarm (vrij laag 'krr...krr'). Ook wel (maar lastig te volgen in veelal onoverzichtelijke habitat) nestbouw (door vrouwtje, begeleid door mannetje), vogels met nestmateriaal, voedsel of ontlastingspakketjes (beide partners, al kan er een tijdens de jongenverzorging al wegtrekken). Ongepaarde mannen zingen nog in tweede helft juni (als gepaarde mannen vrijwel stilgevallen zijn), veelal in ongeschikte habitat (brandnetelvelden zonder overjarige stengels - benodigd voor nestophanging). Zwijgzame vogels kunnen met het strooien van wat los zand over de vegetatie tot zingen geprovoceerd worden (maar pas op: vrouwtje kan bij opwinding eveneens zingen).
LET OP: Enige doortrek tot in juni. Doortrekkers kunnen in ongeschikte habitat zingen (maar denk niet te snel dat habitat ongeschikt is: kan nestelen in verwilderde tuinen, vroeger ook in graanvelden).

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
bij 1-6 geldige bezoeken: 1 waarneming in de periode 10 mei t/m 20 juli
bij 7-10 geldige bezoeken: 2 waarnemingen waarvan 1 in de periode 10 mei t/m 20 juli
bij 11+ geldige bezoeken: 3 waarnemingen waarvan 1 in de periode 10 mei t/m 20 juli

Fusieafstand

100 m

Bijzonderheden

Kan in geschikte habitat hoge dichtheden bereiken waarbij binnen een straal van enkele tientallen meters verschillende nesten actief zijn en zingende vogels door elkaar heen lijken te vliegen.

Broedbiologie

Nestelt in (half)open landschappen met enige opslag en dichte kruidenvegetaties met hoog aandeel verticale elementen (brandnetelvelden met overjarige stengels, verruigde moerasvegetatie etc.; zowel op droge als vochtige ondergrond). Eileg van half mei tot half juni. Eén broedsel per jaar, meestal 3-5 eieren, broedduur 12-14 dagen, nestjongenperiode 10-12 dagen, jongen met 16-17 dagen vliegvlug.

Broedtijd

Bosrietzangers hangen hun nest op aan stevige stengels in een vaak vochtige, soms echter droge omgeving. Ze kunnen zowel talrijk zijn in verruigde moerassen met enige opslag als in brandnetelvelden met veel overjarige stengels. De dichtheden op de kleigronden zijn veel hoger dan op de zandgronden. In zeer bosrijke omgeving hebben Bosrietzangers weinig te zoeken. Als pioniervogel profiteert deze soort snel en soms massaal van tijdelijk beschikbare biotopen. De aantallen wisselen daarom per gebied vaak sterk van jaar tot jaar. Landelijk gezien vertonen de aantallen geen duidelijke ontwikkeling.

Buiten broedtijd

Waarnemingen eind april zijn bijzonder. De meerderheid van de Bosrietzangers komt pas in de tweede helft van mei aan. In dezelfde periode, soms tot begin juni, duiken wel eens (zingende) vogels op in gebieden waar ze niet broeden, zoals bosranden of stadstuinen. Tijdens de najaarstrek zal het vooral om vogels uit eigen land of directe omgeving gaan. Nederland vormt de uiterste noordwestrand van het verspreidingsgebied, zodat noemenswaardige doortrek van elders uitblijft. De wegtrek vindt voornamelijk tussen half juli en half september plaats.