Geoorde Fuut

Wetenschappelijke naam

Podiceps nigricollis

Engelse naam

Black-necked Grebe

Rode Lijst :-
Ramsar 1% :2100
Broedpopulatie

470-540 (2016)

Geschat maximum winter

940-1600 (2013-2015)

Geschat maximum doortrek

2200-4500, aug-sep (2012-2017)

Geoorde Fuut

Podiceps nigricollis

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin april t/m augustus

Datumgrenzen

20 april t/m 20 juli

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

Alle waarnemingen in broedbiotoop, met nadruk op (baltsende) paren, nestbezoek (volg met kijker en wees attent op platformpjes die alleen voor paring bedoeld zijn) en paren met jongen. Overige waarnemingen in broedbiotoop eveneens noteren. Per locatie (bijvoorbeeld ven) hoogste broedcode noteren.
LET OP: Soms tot enkele tientallen bijeen broedend en dan moeilijk te tellen. Langdurig observeren kan uitsluitsel brengen maar in extreem geval is alleen totaaltelling van individuen mogelijk (totaal delen door 1,5 voor bepaling van het aantal paren). Verdeel het gebied dan in sectoren en voer de telling per sector uit (oppassen voor ondergedoken vogels, verplaatsingen, vogels in oevervegetatie).
Uitkijken bij vogels met jongen: partners verdelen de jongen van hun nest en zwemmen soms ver uit elkaar.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, alarm, broedende vogel, pas uitgekomen jongen) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 20 april t/m 20 juli

In overige gevallen (adult in broedbiotoop, paar in broedbiotoop):
moet er 1 waarneming zijn in de periode 10 mei t/m 20 juli en in totaal 2 waarnemingen in gehele periode

Fusieafstand

1000 m

Bijzonderheden

In grotere kolonies bestaat een gerede kans op onderschatting. Bij betreding van de kolonie (waadpak, boot) zoekt een groot deel het open water op, en blijkt het aantal vaak (fors) hoger. Vogels met zeer kleine kuikens op de rug vallen op doordat witte armpennen zichtbaar zijn vanwege licht opgeheven vleugel.

Broedbiologie

Nestelt veelal in los-vaste kolonies, vaak in associatie met Kokmeeuw (maar ook wel solitair of in gebieden zonder Kokmeeuwen). Broedt doorgaans op wat grotere vennen (soms echter zeer kleine vennen, zelfs in bos), en in toenemende mate op duinplassen, vloeivelden en andere ondiepe (veelal voedselarme) wateren met voldoende oevervegetatie.
Drijvend nest, veelal goed verstopt in vegetatierand maar soms open en bloot. Eileg doorgaans in mei en eerste helft juni. Eén tot twee broedsels per jaar, meestal 3-4 eieren, broedduur 20-21 dagen, jongen na 4-6 weken zelfstandig.

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen augustus-oktober.

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken

Bijzonderheden

- Solitair of met enkele bijeen, in Deltagebied groepen tot vele honderden
- Soms gemengd met andere fuutachtigen
- Nu en dan duikend en onder water zwemmend
- Trekkers en overwinteraars vooral op grote open wateren
- Eigen broedpopulatie van enkele honderden paren
- Vogels in oktober-half maart afwezig op broedplaats (vennen, ondiepe plassen)