Kleine Zilverreiger

Wetenschappelijke naam

Egretta garzetta

Engelse naam

Little Egret

Rode Lijst

Gevoelig

Ramsar 1%

1100

Broedpopulatie

50-60 (2015)

Geschat maximum winter/doortrek

310-550, sep (2009-2014)

Kleine Zilverreiger

Egretta garzetta

Methode

Nesten tellen, evt. volwassen paren/individuen tellen op broedplaats.

Tijd van het jaar

Eind april t/m eind juni

Datumgrenzen

15 mei t/m 30 juni

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

Bezette nesten tellen dan wel broedverdachte vogels. Paren of zich verdacht gedragende individuen lange tijd met de kijker volgen; let op nestindicerend gedrag: nestbouw, invallende vogels op potentiële broedplaats, paar met pas uitgevlogen (nog niet vliegvlugge) jongen enz. Beide partners bouwen aan nest en slepen voer aan. Voedselvluchten in buitenland tot meer dan 20 km.

Interpretatie

Hoogste aantal gelijktijdig bezette nesten tellen. Bij overige waarnemingen: minimaal 2 territorium-indicerende waarnemingen in periode 15 mei-30 juni.

Fusieafstand

1000 m

Documentatie

Broedgevallen buiten de bekende gebieden (Waddeneilanden, Deltagebied, Oostvaardersplassen) goed documenteren. Duidelijk aangeven wat werd waargenomen (broedcode), en op welke datum.

Bijzonderheden

Nestelt veelal in kolonies van andere soorten zoals Blauwe Reiger, Lepelaar, Aalscholver en grote meeuwen. In kolonie Zilvermeeuwen - ondanks uiterlijk - verrassend lastig te vinden! Bij verstoring dan vertrekkend (terwijl de meeuwen boven de kolonie blijven hangen) maar na 10-15 minuten terugkerend.

Broedbiologie

Zowel in zoute als zoete milieus broedend. Meestal nestelend in struiken en bomen, soms in riet. Beide partners bouwen aan nest en voeden jongen. Eileg in mei-juni. Eén broedsel per jaar, meestal 3-5 eieren, broedduur rond 22 dagen, nestjongenperiode 30 dagen. Jongen na 40-45 dagen vliegvlug.

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen half juli tot en met september.

Tijd van de dag

Van 1,5 uur na zonsopgang tot 2 uur voor zonsondergang, in getijdengebieden tijdens hoogwater.

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Alleen vogels met terreinbinding tellen (dus niet hoog overvliegende)
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken
- In getijdengebieden verplaatsingen onder invloed van getij

Bijzonderheden

- Solitair of met enkele bijeen
- Groepen van enkele tientallen alleen op slaapplaats/voorverzamelplaats
- Zowel open en bloot (bijv. op kwelder/schor) als meer verborgen (in slenken/sloten)
- In diepliggende slenken/sloten gemakkelijk te missen
- Bij strenge vorst concentraties op ijsvrije plekken

Tijd van het jaar

Juli-maart, hoogste aantallen half juli tot en met september.

Tijd van de dag

Avond: van 1 uur voor zonsondergang tot 1 uur erna
Ochtend: van 1 uur voor zonsopgang tot half uur erna.
Zowel ´s ochtends als ´s avonds te tellen

Aanwijzingen

- Slaapplaats lokaliseren door volgen van slaaptrek in avond (richting belangrijk!) of evt. gericht bezoeken van geschikte locaties rond zonsondergang
- Oppassen met voorverzamelplaatsen (vogels verkassen nog)
- Zoek telpunt met goed uitzicht op aan/afvliegende vogels
- Tegenlicht prettig want houdt vogels langer zichtbaar
- Grote slaapplaatsen met meerdere mensen tellen
- Vogels arriveren bij helder weer gemiddeld later dan bij donker weer
- Bij aanvang van telling aanwezige vogels noteren
- Vervolgens aan- of uitvliegende vogels noteren

Bijzonderheden

- Slaapplaats doorgaans in bomen langs water
- Vogels foerageren soms nog enige tijd op of nabij de slaapplaats
- Bij strenge vorst wordt vaak dichter bij voedselgebied overnacht
- Laat arriverende vogels verrassend lastig te zien (geen donker silhouet)

Broedtijd

Vermoedelijk waren er in het grijze verleden kolonies Kleine Zilverreigers in Nederland, maar verdwenen ze al eeuwen geleden. Na een incidenteel broedgeval in 1979 nestelt de soort vanaf 1994 jaarlijks en in toenemende mate in ons land. Deze ontwikkeling spoort met de gelijktijdige toename en noordwaartse uitbreiding in Frankrijk en de vestiging van een omvangrijke broedpopulatie in Engeland. Het overgrote deel van de Nederlandse broedparen huist in het Deltagebied, gevolgd door de Waddeneilanden. Af en toe nestelt de soort in de Oostvaardersplassen. Onze broedvogels overwinteren in eigen land of niet ver weg en blijken gevoelig voor strenge vorst. Inzinkingen in de landelijke aantallen hangen samen met relatief koude winters.

Buiten broedtijd

Tot 1979 beschouwd als dwaalgast, is de Kleine Zilverreiger tegenwoordig een normale verschijning in met name Wadden- en Deltagebied. In het diepe binnenland blijft hij schaars. De landelijke aantallen pieken tussen augustus en oktober, wanneer alleen al in de zoute of brakke wateren van het Deltagebied vele honderden Kleine Zilverreigers verblijven. In de winter zijn de aantallen een stuk lager. Langdurige vorstperioden leiden tot aanzienlijke sterfte onder de overwinteraars. De trend correspondeert dan ook goed met die van de broedvogels, met inzinkingen na koudere winters.