Merel

Wetenschappelijke naam

Turdus merula

Engelse naam

Common Blackbird

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

900.000-1.200.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

uiterst groot aantal

Merel

Turdus merula

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Half februari t/m juli

Datumgrenzen

1 maart t/m 15 juli

Tijd van de dag

Vooral in vroege ochtend (1,5 uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst) en avond (rond zonsondergang). Zangpiek in stad 15-30 minuten eerder dan in buitengebied.

Aanwijzingen

Zang (vanaf boomtop, bouwwerk etc.), tjengende vogels (vooral 's avonds soms massaal) en aanwijzingen voor nest: nestbouw (vaak opvallend), alarm (katten, kraaiachtigen!), transport van voedsel of ontlastingspakketje.
LET OP: massale zang waaraan vrijwel alle territoriumhouders deelnemen alleen gedurende korte periode zeer vroeg in de ochtend. Korte snelle telronde dan zeer effectief. Zangactiviteit al een uur na zonsopkomst sterk ingezakt. Bij hoge dichtheid (stad!) zijn de individuele mannetjes soms moeilijk te onderscheiden. Jongen verlaten nest soms in vroeg stadium; jongen met zeer korte staartjes zijn in nabijheid uitgebroed, vogels met middellange of langere staarten kunnen van elders zijn.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
bij 1-15 geldige bezoeken: 1 waarneming in de periode 1 maart t/m 15 juli
bij 16+ geldige bezoeken: 2 waarnemingen waarvan 1 in de periode 1 maart t/m 15 juli

Fusieafstand

200 m

Bijzonderheden

Vogels in stedelijke omgeving beginnen eerder in het jaar te broeden dan die in het buitengebied. Door veelvuldige mislukkingen worden telkens weer nieuwe nesten gebouwd. Territoria zijn echter veelal klein, zeker in de stad.

Broedbiologie

Broedt in allerlei landschappen mits er bomen en/of struiken voorkomen, met hoogste dichtheden in rijk bos en stedelijk gebied. Eileg van eind maart tot in augustus, soms vroeger of later, met piek half april-half juni. Twee tot drie broedsels per jaar, meestal 4-5 eieren, broedduur 11-15 dagen, nestjongenperiode 12-15 dagen, uitgevlogen jongen worden nog 2-3 weken verzorgd (evt. alleen door mannetje, terwijl vrouwtje nieuw broedsel begint).

Intro

Hieronder worden aanwijzingen gegeven om nesten te vinden en hun lotgevallen te volgen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor onderzoek in het kader van het Nestkaartenproject of verwante projecten. Belangrijk: ga niet zelf op pad (nesten zoeken is verboden), maar meld je aan bij Sovon (nestkaart@sovon.nl). Voor het nestonderzoek is namelijk een speciaal registratiebewijs nodig, waarmee je geen ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet nodig hebt. Voor beschermde soorten in voor het aangewezen Natura 2000-gebieden heb je daarnaast een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet nodig om de nesten te mogen bezoeken. Nesten zoeken zonder registratiebewijs en/of vergunning is illegaal, los van de zelf te regelen toestemming van de terreineigenaar. De onderzoeker wordt geacht zich volledig te houden aan de aanwijzingen in de projecthandleiding (De nestkaart, hoe, wat, waarom). www.sovon.nl/nl/content/nestkaarten

Tijd van het jaar

Eind maart tot eind augustus (incidenteel ook andere maanden). Legpiek begin april tot half juni. Twee tot drie broedsels per jaar.

Nesthabitat

Vrijwel alle landschapstypen mits enige struiken of bomen aanwezig zijn. Hoogste dichtheden in groene stedelijke wijken, jonge aanplant/opslag en oud bos met veel struikondergroei.

Nest

Veelal in boom(pje) en dan doorgaans in takvork, in heggen en struwelen (zowel in binnenste als meer aan buitenkant), in klimplanten (klimop, kamperfoelie); vaak ook op muurtjes, in open nestkasten, op richels van gebouwen, in wortelkluiten van omgevallen bomen, op randen van greppels enzovoort. Nest veelal tot enkele meters hoogte, soms echter meer dan 10 meter hoog. Nestbouw door vrouwtje. Stevig bouwsel van strootjes, bladeren en ander plantenmateriaal op basis van mos, soms met stukjes plastic of papier. Nestkom wordt met modder gepleisterd en vervolgens met grasjes afgewerkt.

Aanwijzingen

Sommige nesten zeer open, andere zeer goed verborgen (probeer ook die te vinden, om scheve steekproef te voorkomen). Nestbouw vooral in bebouwde omgeving vaak goed te volgen, vogels in bos- en natuurgebieden gewoonlijk wat schuwer. Vroege nesten goed vindbaar door systematisch afzoeken van altijdgroene of reeds bebladerde bomen en struiken, inclusief klimplanten. Latere nesten veel lastiger te vinden met koud zoeken, behalve bij systematisch afzoeken van heggen (blijf laag en kijk omhoog naar het licht). Let dan op alarmroep (‘tsjoek’, ratel en ijl hoog ‘sieee’ ) en geluid van afvliegende broedvogel. Voedselaanvoer voor nestjongen door beide partners en vaak in rechtlijnige vlucht naar nest.

Attentie

Niet bijzonder verstoringsgevoelig, maar kijk uit bij grotere nestjongen.

Bijzonderheden

Grondnesten - tussen boomwortels, in brandnetels of andere hoge vegetatie – bijna alleen door toeval te vinden. Ze liggen soms op plekken die minder voor de hand liggen (onder struiken), vaak op de rand van een greppel of sloot.

Meer informatie

Broedtijd

Als talrijkste broedvogel in Nederland ontbreekt de Merel alleen in landschappen zonder bomen of struiken. De hoogste dichtheden per vierkante kilometer zitten in stedelijk gebied met veel groen, in agrarisch cultuurland met veel heggen en in randen van gevarieerde loofbossen. Van schuwe bosvogel is de Merel in de afgelopen twee eeuwen veranderd in een succesvolle cultuurvolger. De aantallen namen ook in de afgelopen tientallen jaren nog toe, deels door het bezetten van nieuwe gebieden zoals in uitbreidingswijken of bosaanplant, vooral in Laag-Nederland. Sinds ongeveer 2005 stagneren de aantallen of nemen ze licht af. Dit zou een gevolg kunnen zijn van enkele droge voorjaren, die ongunstig zijn voor de vooral van regenwormen levende Merel. Hoewel vaak waarneembaar, zijn er geen bewijzen dat predatie van nesten en jongen door Eksters van betekenis is voor de populatie Merels.

Buiten broedtijd

De Nederlandse Merels zijn grotendeels standvogel en vertonen steeds minder neiging om weg te trekken. Met aanvulling uit Noord-Europa zijn Merels in trektijd en winter dan ook door heel Nederland te vinden. Wel worden voedselarme gebieden als schrale bossen of grootschalig cultuurland soms tijdelijk verlaten en wellicht voor bijvoorbeeld nabijgelegen bebouwing verruild. Doortrek vindt in het voorjaar vooral tussen half maart en eind april plaats, in het najaar van half september tot half november. Verplaatsingen, al dan niet na vorst en sneeuw, kunnen echter tot diep in de winter aanhouden. De winteraantallen zijn, net als die in de broedtijd, geleidelijk toegenomen. Ze vertonen echter grotere schommelingen die deels samenhangen met het winterweer. Zachte, regenrijke winters zijn gunstiger voor Merels dan winters met veel vorst of sneeuw.