Criteria voor waardebepaling en selectie Ornithologisch Erfgoed

Bij het veiligstellen van ornithologisch materiaal uit het pré-digitale tijdperk is er steeds de vraag of het waardevol genoeg is om in een museum-, bibliotheek- of archief-instelling onder te brengen. Zo is niet elke vogeldiaserie van belang om op te nemen in de vogelfoto-collectie van het Nederlands Fotomuseum, en zo wil Naturalis BC geen vogeldagboeken en reisverslagen van vogelaars en ornithologen als die geen directe informatie-ondersteunende relatie hebben met de vogelcollectie van Naturalis.

Museale en archief-instellingen hanteren historische, esthetische en wetenschappelijke criteria op grond waarvan opname van materiaal nuttig gevonden wordt. Zowel bij acquisitie als conservering dienen we ook vanuit de aanbodzijde  criteria te hanteren wat in oplopende mate relevant, esthetisch waardevol en wetenschappelijk van belang is en met prioriteit behouden zou moeten worden. Dit hangt ook af van de ornithologische betekenis van de primaire verzamelaar, en van diens collectie. Deze kan heel divers zijn: zo zijn minder goede foto’s van nu verloren gegane of sterk veranderde natuurgebieden (de Peel, De Beer, het Twiske, de Makkumerwaard  e.d.) waardevol, ook al zijn die niet van een topfotograaf.

Bij de waardebeoordeling van archiefmateriaal spelen allerlei waarde-oordelen en subjectieve inschattingen een rol. Vaak ook is er gebrek aan kennis van zaken bij nabestaanden en hun omgeving. En dan is er in de directe vogelaars omgeving kans op onvoldoende kennis van de betreffende particuliere collectie of specifieke materialen. Zulke voorkennis is een belangrijke voorwaarde in het acquisitie-proces.

Criteria voor waardebepaling en selectie spelen ook een rol bij de voortdurende vraag of extra inspanningen en kosten voor digitalisering te rechtvaardigen zijn.

Criteria

Als richtlijn hanteert de Werkgroep Ornithologisch Erfgoed vijf hoofdcriteria

A.    De historisch-ornithologische waarde
Materiaal dat inzicht geeft in de ontwikkeling van de Nederlandse ornithologie; derhalve is materiaal van vooraanstaande ornithologsche onderzoekers waardevol, zowel dat van professionele ornithologen zoals N. & L. Tinbergen, Van Dobben en Voous als van ‘amateurs’ zoals Jan P. Strijbos en J.E. Sluiters. Voous (1995) geeft een overzicht van actieve wetenschappers en amateurs voornamelijk geboren in de periode 1900-1950. In aansluiting daarop is het verzamelcriterium ‘ornithologische reputatie’, blijkend uit publicaties en andere output. De archivalia hebben verschillende kwaliteit, die pas bij inventarisatie te beoordelen is.

Tot deze categorie kunnen bijv gerekend worden de volgende collecties:

  • Vogel- en eiercollectie Milieu Educatie Centrum Eindhoven (historische regionale collecties  van o.m. de gebr. Van Dijck, Michielsgestel, Jhr J.B. Verheijen, Loon op Zand en mr. R. Warmoltz, Noordwijk)
  • Eiercollectie B. van Dooren, Eindhoven (regionale collectie uit de Oost-Kempen)
  • Eiercollectie Zuiderduijn (Overveen, < 1910)

B.     De relevantie voor toekomstig onderzoek en als documentatie van afgesloten onderzoek.

Relevant is materiaal van afgesloten onderzoek, dat gepubliceerde onderzoeksuitkomsten onderbouwt en dat voor secundaire of vervolganalyse beschikbaar blijft. Bijvoorbeeld documenteert het archief Hens een deel van de geschiedenis van het subspecifiek taxonomisch onderzoek in Nederland, dat ten grondslag ligt aan de Avifauna van Nederland (1962, 1970). Van verschillende taxa zijn biometrische gegevens voorhanden uit verschillende Nederlandse en buitenlandse verzamelingen.

C.     De iconografische waarde

Tekeningen, foto- en filmcollecties die inzicht bieden in het voorkomen, de habitat en de broedbiologie van soorten. Zij kunnen ook kunsthistorisch of fotografisch-historisch van belang zijn. Maar niet elke reis-diaserie is relevant, al geldt ook hier hoe ouder hoe waardevoller (bijv. collectie Van der Sleen, Simon de Waard, Coomans de Ruiter). Ook uitingen van vogelkunst zijn bij uitstek te rekenen tot Nederlands ornithologisch erfgoed. Nog particulier niet veiliggesteld is bijv. materiaal van Rein Stuurman en Henk Slijper.

Tot deze categorie kunnen bijv gerekend worden de volgende collecties:

  • Foto-collectie Cees Bais (Wieringen);  film H. Bartels (Spizaetus bartelsi op nest)
  • Collectie Jan Coldewey;  collectie Keulemans; collectie Klaas Hulsbos (glasfoto's uit Zuid-Kennemerland, onder meer opnamen van Griel rond WO II)
  • Collectie familie P. Meeth (tekeningen mevr. Meeth; dia's P. Meeth)
  • Henk Schoorl, tekenalbum met Grielentekeningen (zie Voous 1995)
  • Vogeltekeningen Gerrit Schouten (Paramaribo 1779-1839, geveild 1848)
  • J.F. Sollie, film Morinelplevier; films J.P. Strijbos
  • Tekeningen-collectie Rein Stuurman (archief mevr. Schoonderbeek)
  • Reisfilms Simon de Waard (bij Henk de Wolde)

Op grond hiervan wordt de volgende onderverdeling voorgesteld:

C1:  avifaunistisch/ ecologisch;

C2: kunsthistorisch;

C3: foto-historisch

D.    De biografisch-ornithologische waarde

Biografisch waardevol zijn materialen die inzicht geven in de ornithologische levenswandel van relevante personen : persoonlijke dagboeken, correspondentie, portretfoto’s, overlijdensberichten, recensies e.d. Er zijn nu enige archiefcollecties die hier mede inzicht in geven, maar die aangevuld kunnen worden: het Naturalis-archief, het Voous-archief en het archief van het Biohistorisch Instituut (project Engel) in het Museum Alexander Koenig in Bonn.

Daarnaast zijn verschillende gemeentelijke archieven van belang. Dagboek-collecties zijn onder meer in Naturalis (dagboeken G.A. Brouwer, van Lynden e.a.). Portretcollecties zijn onder meer in het archief van Het Vogeljaar (Rob Kole, ex coll. Jaap Taapken) en bij Ruud Vlek (Amsterdamse ornithologen).

E.     De uniciteit en onvervangbaarheid van materiaal, zoals zeldzame boeken en tijdschriften, en ter aanvulling van in bibliotheken onvolledige tijdschrift-reeksen.

Deze criteria zijn steeds specifiek toe te passen en te beoordelen bij concrete verwervingen. De ornithologische reputatie van de desbetreffende personen en kennis van hun werk vormt hierbij de leidraad. Pas bij inventarisatie van het materiaal is schifting van belangrijke en irrelevante materialen mogelijk.