Grote Stern (Bron: zwdelta.nl | Mark Vogelweb)

Ruimte voor vogels in de Zuidwestelijke Delta

De Zuidwestelijke Delta is een belangrijk gebied voor vogels. Het gebied omvat veel beschermde natuur, zoals het Haringvliet, de Ooster- en Westerschelde, maar het wordt ook intensief gebruikt voor onder andere recreatie, industrie en windenergiewinning. En dat botst. Eerder onderzoek heeft al laten zien dat vogelpopulaties door de aanleg van de Deltawerken er op achteruit zijn gegaan. Hoe kunnen vogels in het Deltagebied het beste beschermd worden tegen alle menselijke activiteit?

Om deze vraag te beantwoorden, is het nodig de vogelpopulaties grondig in kaart te brengen. Op initiatief van Vogelbescherming Nederland en de Provincie Zeeland heeft een team onderzoekers onder leiding van Sovon Vogelonderzoek Nederland hiervoor een zogenaamde geïntegreerde populatieanalyse (IPA) uitgevoerd. Hierbij worden niet alleen de vogels jaarlijks geteld, maar worden ook gegevens verzameld over het broedsucces, de sterfte en de overleving van vogels. Met deze gegevens zijn veranderingen in aantallen beter te verklaren, waardoor gerichte bescherming mogelijk is.

Gezondheid van populaties

Voor vijf karakteristieke broedvogelsoorten uit het Deltagebied is een geïntegreerde populatieanalyse gedaan: de Kluut, Visdief, Grote Stern, Zilvermeeuw en Kleine Mantelmeeuw. Het is de bedoeling om dit voor de populaties van kustbroedvogels vanaf nu elke zes jaar te doen. De Kluut, Visdief en Grote Stern zijn gekozen omdat deze soorten in veel verschillende gebieden in de delta voorkomen. Ze krijgen ook al veel aandacht in bescherming en beheer en er zijn voldoende gegevens beschikbaar voor een analyse. De analyse van de twee grote meeuwensoorten is het uitgangspunt voor de verbeterde monitoring van broedsucces in grote kolonies. Bij deze soorten spelen ook vragen rond het beheer van de populaties.

Laag broedsucces

Uit de analyse blijkt dat de Kluut, Visdief en Grote Stern maar net voldoende, of te weinig (Kluut) jongen grootbrengen om de jaarlijkse sterfte van oudere vogels aan te vullen. De klutenpopulatie lijkt daardoor afhankelijk van immigratie van elders geboren vogels. Ook bij de Zilvermeeuw lijkt het broedsucces te laag, al ontbreken momenteel nog voldoende gegevens voor een goede conclusie. De Kluut en Visdief kampen vooral met predatoren die toegang hebben tot hun broedlocaties en het op de eieren en jongen hebben voorzien. Ook het dichtgroeien van nieuw ontstane of aangelegde pionierhabitats en de toenemende droogte en periodieke hoge waterstanden spelen een rol.

Bij de meeuwen speelt dat grote kolonies in haven- en industriegebieden onder druk staan door ontwikkeling van terreinen en actieve bestrijding. Hierdoor zoeken de meeuwen alternatieve broedplaatsen op. In stedelijk gebied is dit te merken aan toenemende meeuwenoverlast. In andere gebieden in de delta kunnen de meeuwen andere soorten verdringen. Vandaar dat de meeuwen belangrijke soorten zijn om in komende jaren te blijven volgen.

Van kennis naar maatregelen

Voor alle vijf onderzochte soorten geldt dat de grootste druk ontstaat door de enorme diversiteit aan ruimtegebruik in het Deltagebied. Wonen, industrie, havens en transport, energiewinning, intensieve landbouw, visserij en schelpdierkweek, recreatie op land en water, kustveiligheid en natuur(ontwikkeling) claimen allemaal een stuk van de ruimte. Voor vogels is daardoor steeds minder plek om zich te vestigen en succesvol voort te planten.

Bescherming van kustbroedvogels in de Zuidwestelijke Delta zal zich vooral moeten richten op het verhogen van het broedsucces. Het zal niet mogelijk zijn om alle bedreigingen weg te nemen, maar wel om de impact daarvan te verminderen. Dat kan door voldoende oppervlak aan geschikt broedgebied beschikbaar te houden, bijvoorbeeld door het beheren van de begroeiing, of de ontwikkeling van nieuwe locaties. In deze gebieden moet het predatoren moeilijk gemaakt worden om bij de nesten te komen. Zo kunnen er eilanden worden aangelegd, of kunnen locaties afgerasterd worden. Tot slot is goed waterbeheer noodzakelijk om uitdroging of overspoeling van de broedgebieden te voorkomen.

Samenwerking

Deze studie is in opdracht van Vogelbescherming Nederland en Provincie Zeeland gezamenlijk uitgevoerd door onderzoekers van Sovon, Deltamilieu Projecten, het Vogeltrek-station (NIOO-KNAW), het Vlaamse Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO), Buijs EcoConsult en Bureau Waardenburg.