Kraanvogel

Wetenschappelijke naam

Grus grus

Engelse naam

Common Crane

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

3100

Broedpopulatie

14-20 (2015)

Geschat maximum winter/doortrek

140-1900, nov (2009-2014)

Kraanvogel

Grus grus

Methode

Lokaliseren van broedparen

Tijd van het jaar

Begin maart t/m eind juli

Datumgrenzen

15 maart t/m 31 mei

Tijd van de dag

Gehele dag, vooral in ochtend en rond zonsondergang.

Aanwijzingen

Paren en zich verdacht gedragende individuen met kijker volgen; teken vliegbewegingen in op kaart. Let op territoriumindicerend gedrag (paringsmars, balts, copulatie, duetroep) en nestindicerend gedrag (alarmroep zittende vogel, felle reactie op o.a. roofvogels, sluipgedrag met jongen). Nestbouw, broeden en verzorging jongen door beide partners.
LET OP: Luid en lang roepende vogel na half april duidt op niet-broedvogel. Broedvogels met kleine jongen uitermate stiekem en in dekking blijvend. Oppassen echter voor overzomerende ruiende vogel (gedraagt zich eveneens geheimzinnig). Ouders met jongen foerageren tot op 2 km van de broedplaats in (half)open agrarisch landschap (gras, graan, maïs). Jongen soms pas begin september vliegvlug.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moeten er 2 waarnemingen zijn in de periode 15 maart t/m 31 mei en in totaal 3 waarnemingen in gehele periode

Fusieafstand

2000 m

Documentatie

Buiten Fochteloërveen graag uitgebreide documentatie met per datum hoogste vastgestelde broedcode.

Bijzonderheden

Broedt sinds 2001 in Nederland en gaat zich wellicht enigszins uitbreiden. Overzomeraars kunnen voorboden zijn van nieuwe vestiging. Soort is zeer storingsgevoelig in broedtijd. Grote afstand bewaren, terrein langdurig met kijker of telescoop afzoeken.

Broedbiologie

Nestelt in Nederland tot nu toe alleen in uitgestrekt hoogveen, in aangrenzende delen van Duitsland ook op open plekken in natte (broek)bossen en moerasgebieden, soms zelfs in betrekkelijk kleine moerasjes in agrarisch cultuurland. Eileg van half maart tot half april. Eén broedsel per jaar, meestal 2 eieren, broedduur 30 dagen, jongen (nestvlieders) kunnen na 9 weken korte stukjes vliegen.

Tijd van het jaar

Oktober-december en februari-maart.

Tijd van de dag

Van 2 uur voor zonsondergang tot uur erna, en van uur voor zonsopgang tot uur erna.
Ochtendtelling het beste (deel van de vogels arriveert nog in donker).

Aanwijzingen

- Slaapplaats lokaliseren door volgen van slaaptrek in avond (richting belangrijk!) of evt. gericht bezoeken van geschikte locaties rond zonsondergang
- Oppassen met voorverzamelplaatsen (vogels verkassen nog)
- Zoek telpunt met goed uitzicht op aan/afvliegende vogels
- Tegenlicht prettig want houdt vogels langer zichtbaar
- Grote slaapplaatsen met meerdere mensen tellen
- Vogels arriveren bij helder weer gemiddeld later dan bij donker weer
- Bij aanvang van telling aanwezige vogels noteren
- Vervolgens aan- of uitvliegende vogels noteren
- Zeer voorzichtig zijn! Vogels op slaapplaats worden snel verstoord.

Bijzonderheden

- In groepen van enkele tientallen tot enkele honderden
- Meestal zeer luidruchtig (geluid op grote afstand hoorbaar)
- Keuze slaapplaats traditioneel (ondiepe vennen in rustige hoogveengebieden), soms echter afwijkende plek (agrarisch gebied)
- Gebruik slaapplaatsen jaarlijks sterk wisselend in afhankelijkheid van al dan niet optredende trekpieken (krachtige oostenwinden! In najaar ook bij invallende vorst)
- Deel vogels kan ’s ochtends op slaapplek blijven hangen of gaat in nabijheid foerageren (akkers)

Broedtijd

Vanaf 2001 broeden er Kraanvogels in ons land. Het aantal broedparen is nog klein maar groeit langzaam. De meeste broedgevallen vonden plaats in het Fochteloërveen, waar in sommige jaren enkele paren nestelen. Ook in het Dwingelderveld is verschillende malen gebroed. Waarnemingen van overzomerende volwassen Kraanvogels in andere heide- en hoogveengebieden kunnen de voorbode zijn van nieuwe broedplaatsen. Ook het eerste broedgeval werd voorafgegaan door jarenlange aanwezigheid van volwassen vogels. De vestiging in Nederland valt samen met een sterke groei van de Duitse broedpopulatie, die zich bovendien in westelijke richting uitbreidt.

Buiten broedtijd

Hoewel kleine aantallen Kraanvogels in ons land overwinteren of overzomeren, wordt deze soort vooral in de trektijd gezien. Ten oosten van de lijn Enschede-Eindhoven is het een normale doortrekker, ten westen daarvan aanmerkelijk schaarser. Betrekkelijk weinig Kraanvogels komen aan de grond, het meest nog in en rond hoogveengebieden, maar ook wel verder daarvandaan. De voorjaarstrek valt tussen eind februari en eind maart, met begin maart soms massale doorkomst. De najaarstrek loopt van half oktober tot in december; massale trek blijft het ene jaar uit maar kan het andere jaar in november of zelfs begin december plaatsvinden. Of er boven ons land veel trek is, hangt in voor- en najaar af van de weersituatie: krachtige (zuid)oostenwinden tijdens de trek leveren meer Kraanvogels op dan andere windrichtingen. De aantallen zijn de afgelopen tientallen jaren toegenomen, parallel aan de toegenomen Noordwest-Europese broedpopulatie. Bovendien ontstonden belangrijke pleisterplaatsen op voor ons land gunstige locaties in Duitsland (Diepholz) en Frankrijk (Lac du Der), zodat trekkers ook bij minder sterke oostenwind verschijnen.