Vogelmonitoring

Jaarlijks steken we samen met partnerorganisaties veel energie in landelijke monitoring van broedvogels, watervogels en wintervogels. Zo is dit jaar weer een derde van de ongeveer 11.000 steekproefgebieden geteld, zijn de ­gegevens verwerkt van ruim 10.000 kolonies en zijn de telresultaten aangeleverd van zeldzame broedvogels op zo’n 2.500 locaties. In 53 Natura 2000-gebieden zijn slaapplaatsen gemonitord van 19 soorten, maar ook buiten Natura 2000-gebieden zijn slaapplaatsen geteld, onder andere van overwinterende ganzen. Watervogels zijn weer integraal geteld in 93 grote ‘monitoringgebieden’. Daarnaast zijn er veel aanvullende tellingen van ganzen en zwanen geweest. Aanvullende tellingen van zeevogels in de Waddenzee en Noordzee zijn verwerkt in de overzichten.

Daarnaast zijn in 2017 de volgende ontwikkelingen te melden:

Monitoring in het kader van ANLb geïntensiveerd

2017 was het tweede jaar van de nieuwe beleidsmonitoring in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb), een belangrijke uitbreiding van onze landelijke meetnetten. Het gaat om een selectie van broed­vogels, watervogels en wintervogels van het boerenland. Hierbij borduren we voort op de landelijke meetnetten van het Netwerk Ecologische Monitoring, en het daarbij opgebouwde netwerk van vrijwillige vogeltellers. De beleids­monitoring richt zich op een vergelijking van de aantalsontwikkeling in gebieden met en zonder beheerovereenkomsten. We zijn op zoek gegaan naar aanvullende meetpunten om regionale hiaten te vullen. Daarom investeerden we in werving en opleiding van nieuwe tellers (bv. interactieve instructie­video’s ontwikkeld, cursussen, lezingen). In 2017 zijn ruim 200 nieuwe tellers geworven die (mede) actief zijn in ANLb-gebied. Er zijn 38 nieuwe BMP-telgebieden in ANLb-gebied en 83 nieuwe BMP-telgebieden in referentie­gebieden bij gekomen.

Groei van het aantal routes waarop wintervogels worden geteld

Voortvloeiend uit het ANLb heeft het oudste monitoringproject van Sovon, het sinds 1978 lopende Punt-Transect-Tellingen-project voor wintervogels (PTT), weer (deels) externe financiering. Na de sterke toename van het aantal getelde routes in 2016, tot 576, volgde een lichte groei in 2017 naar 587 routes. Gerichte werving (belactie onder oud-atlastellers) en binding (extra nieuwsbrieven) verklaren dit succes, samen met het laagdrempelige karakter van deze telling.

Nieuwe handleiding voor broedvogelmonitoring en nieuwe invoermodules

Voorafgaand aan het broedseizoen van 2017 is de nieuwe Handleiding Sovon broedvogelonderzoek gepresenteerd en verspreid onder tellers. Daarnaast zetten we een aantal instructiefilmpjes met uitleg over veel gestelde vragen op de website en YouTube. Het gebruik van Avimap, de in 2016 geïntroduceerde mobiele invoerapplicatie op maat, door broedvogeltellers is verder toegenomen. In 2017 is mobiele invoer via Avimap ook mogelijk gemaakt voor het Meetnet Urbane Soorten (MUS) en Meetnet Watervogels. Tevens lanceerden we de voor watervogels geheel vernieuwde online invoermodule.

Leeftijdseffecten waarnemers?

Met het CBS analyseerden we de leeftijdseffecten van waarnemers op de broedvogeltrends van hoog frequent zingende vogelsoorten (o.a. Goudhaan, Sprinkhaanzanger). De conclusie was dat er hooguit een geringe en binnen soortgroepen vaak niet eenduidige invloed van leeftijd op de landelijke trends was. Dit betekent niet dat ouderen daadwerkelijk even goed horen als jongeren. Mogelijk wordt hun gehoorverlies gecompenseerd door meer ervaring, of zijn ouderen zich zodanig bewust van hun gehoorverlies dat zij andere maatregelen treffen om dit op te vangen (gehoorapparaat, meenemen van beter horende waarnemers) dan wel besluiten te stoppen met vogelinventarisaties als het echt niet meer gaat. We publiceerden de resultaten in Sovon-Nieuws.

Doorgroei MUS

Het speciale meetnet voor bebouwde omgeving MUS beleefde in 2017 zijn elfde jaar. Waar we vorig jaar nog een stabilisatie in deelname signaleerden, lijkt er in 2017 toch weer van een doorgroei sprake. Begin 2017 werd de geheel vernieuwde MUS-Cursus online gezet. Ook is er een YouTube filmpje toegevoegd waarin kort wordt uitgelegd waarvoor de gegevens van MUS worden gebruikt. In opdracht van WOT N&M hebben we een monitoring-advies geschreven ter ondersteuning van de Gedragscode natuurinclusief renoveren. MUS blijkt geschikt om de effecten van grootschalige woningrenovaties in de toekomst in beeld te brengen, met een beperkte gerichte uitbreiding van het aantal MUS-telpunten in regio’s die nu nog niet voldoende bemonsterd worden.

Ooievaarsbestand compleet

Aan het bestand van het Meetnet Nestkaarten werd een grote set van historische nestgegevens van Ooievaars van voor 2012 toegevoegd, in samenwerking met werkgroep STORK. Op basis hiervan werd een publicatie geschreven en aangeboden aan het tijdschrift Limosa.

Verbetering trends Grutto als niet-broedvogel

Voor de Grutto als niet-broedvogel wordt de landelijke trend verbeterd door de resultaten uit watervogeltellingen te combineren met de tellingen in ­enkele tientallen regelmatig getelde slaapplaatsen. De Grutto wordt daarmee de vijfde soort worden waarvoor slaapplaatstellingen bijdragen aan de landelijke trendberekeningen, naast de primaire toepassing ten behoeve van Natura 2000 gebiedsmonitoring.

Overige acties

  • Op verzoek van de Provincie Gelderland hebben we in 2017 extra coördinatie-inspanningen verricht om de populatieomvang te kunnen bepalen van Draaihals en IJsvogel op de Veluwe.
  • Met behulp van de resultaten van de Vogelatlas hebben we nieuwe schattingen voor 2013-15 kunnen maken zeldzame broedvogels in enkele Natura 2000-gebieden.
  • Op verschillende niveaus is overleg gevoerd met terreinbeherende organisaties, met name met lokale beheerders en ‘boswachters monitoring’. Het doel daarbij was om monitoringwensen zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen.
  • In het kader van de Living Planet Report 2017 van het Wereld Natuur Fonds heeft het CBS samen met Sovon voor het eerst trends van doortrekkende en overwinterende zeevogels berekend, op basis van een combinatie van zeetrek- en vliegtuigtellingen.

Vogelatlas

Eind 2016 konden we beschikken over de voorlopige verspreidings- en veranderingskaarten van de 321 vogelsoorten die in Vogelatlas beschreven zullen worden. Met deze kaarten en de bijbehorende kerninformatie konden de auteurs van de teksten over deze soorten aan de slag. Begin 2017 begonnen de eerste soortteksten bij de redactie binnen te druppelen, aanzwellend tot een hausse aan teksten in de maanden die volgden. De redactie kon aan de slag met het becommentariëren van de veelal heel doortimmerde bijdragen. Heel prettig was dat de soortauteurs het commentaar van de redactie snel verwerkten waardoor gaandeweg het jaar steeds meer schitterende eindconcepten beschikbaar kwamen. Ook de fotoredactie liet zich niet onbetuigd door fotografen te benaderen voor uniek beeldmateriaal dat de Vogelatlas een speciaal cachet zal geven. Gedurende het jaar was er frequent contact met de ­uitgever om de precieze opzet en vormgeving van de soortteksten en de rest van de publicatie te perfectioneren. In het najaar van 2017 is gestart met het synthesehoofdstuk. Eind 2107 kon de eerste tranche soortteksten naar de uitgever voor de vormgeving, en lagen de werkzaamheden mooi op schema richting de publicatie eind 2018.

Ook op het vlak van de data-analyses is veel werk verzet door de twee modelleurs in intensieve samenwerking met de rest van het atlasteam. Op basis van de laatste inzichten op het vlak van ruimtelijke statistiek is van de voorlopige verspreidingskaarten via een aantal proces- en controlestappen toegewerkt naar de definitieve kaarten.

 

Kievit, verschil tussen 1998−2000 en 2013−2015