Temmincks Strandloper in broedgebied in Noorwegen. Foto: Peter Eekelder

Temmincks Strandloper; wel bekend, maar onbemind

Elk voor- en najaar worden strandlopers met extra aandacht bekeken, want misschien loopt er één met groenige poten tussen: de Temmincks Strandloper Calidris temminckii. Ze worden ongetwijfeld in ieders veldboekje genoteerd of ingestipt via de smartphone. Er wordt echter weinig over deze soort geschreven in de Nederlandse vogelliteratuur. Genoeg aanleiding dus om een artikel aan deze steltloper uit het Bijzondere Soorten Project – niet-broedvogels (BSP-nb) te wijden.

Sander Elzerman, BSP-nb districtscoördinator D19, sanderelzerman@hotmail.com

Onopvallende steltloper uit de Scandinavische toendra
De Temmincks Strandloper broedt in lage dichtheden op de toendra vanaf zuidelijk Noorwegen richting het noordoosten tot in Oostelijk Siberië. De westelijke broedpopulatie wordt geschat tussen 100.000 en meer dan 1 miljoen, waarvan tussen de 30.000 en 55.000 broedvogels in Fenno-Scandinavië. Een schatting voor de aantallen in het overwinteringgebied is er niet vanwege het onopvallende gedrag van de soort. In Nederland worden alleen (meest Scandinavische) vogels op doortrek waargenomen. De overwinteringgebieden van deze westelijke populatie liggen in de Sahelzone van Afrika.

Aantallen in Zuid-Holland-zuid
Historische waarnemingen uit vogelaarsdagboeken van de jaren veertig en vijftig laten zien dat in die tijd de Temmincks Strandloper al een bekende, maar schaarse gast was in Zuid-Holland-zuid. Er zitten 'slechts' 170 waarnemingen in het bestand van het BSP-nb project voor Zuid-Holland zuid. Het aantal waargenomen Temmincks Strandlopers is de afgelopen twintig jaar duidelijk toegenomen.

Groepjes van meer dan 10 exemplaren zijn zeldzaam
Nagenoeg alle meldingen hebben betrekking op pleisterende vogels. Bovendien gaat het meestal om individuen (35%; N=170). Groepen van 10 Temmincks Strandlopers of meer zijn zeldzaam. De grootste concentraties zijn gevonden in de Hoeksche Waard, op Voorne-Putten en IJsselmonde. Voorbeelden hiervan zijn een groep van 21 ex. in de Oosterse Laagjes nabij Oud-Beijerland op 13 mei 2005, eenzelfde aantal op 13 mei 2010 in de Oosterse Bekade Gorzen, een groep van 19 ex. in de Jan Gerritsepolder ten zuiden van Barendrecht op 14 mei 1990 en 20 ex. in de Strypsche Wetering op 20 mei 2008.

Waar zijn ze te vinden?
Het fluctuerende aantal Temmincks Strandlopers per jaar hangt vooral samen met een variërende lokale waterstand en de beschikbaarheid aan geschikt foerageergebied. De ‘mini Oeverloper’ heeft namelijk een voorkeur voor ondiepe zoetwaterplasjes met enige begroeiing. Hier scharrelen ze op kenmerkende muisachtige wijze door de oeverzone van het slik.

Positieve invloed natuurontwikkeling
De natuurontwikkeling (binnendijks en buitendijks) in het kader van de Ecologische Hoofdstructuur heeft waarschijnlijk een positieve bijdrage geleverd aan de toename van meldingen. Voorbeelden zijn de Oosterse Bekade Gorzen, Tiengemeten bij de Hoeksche Waard, de Strypsche Wetering bij Rockanje en het Develbos bij Zwijndrecht. Na de aanleg van deze gebieden zijn tijdens meerdere jaren Temmincks Strandlopers waargenomen. Door vegetatiesuccessie raken nieuw ingerichte gebieden soms weer ongeschikt .

Fenologie
Mei is bij uitstek dé maand om Temmincks Strandlopers te vinden. Deze maand is met 608 exemplaren goed voor 90% van alle waarnemingen (N=673). De voorjaarstrek verloopt sterk geconcentreerd met een korte piek vanaf de tweede decade van april tot eind mei. Een vroege waarneming dateert van 8 april 1997 langs de rivier de Noord nabij Papendrecht. De timing van de trek is nauwelijks veranderd sinds de jaren negentig.
De najaarstrek speelt zich af in de periode begin juli tot eind september. De waargenomen aantallen vallen in het niet met de voorjaarstrek. Het gemiddeld aantal exemplaren per waarneming is in het najaar slechts 1,15 ex. (N=37) tegen 4,61 ex. (N=636) in het voorjaar. Waarnemingen uit de winter ontbreken.

Langere tijd aanwezig
In het voorjaar kunnen in goede gebieden gedurende een langere periode Temmincks Strandlopers worden waargenomen. Zo zijn in 2003 tussen 23 april en 18 mei 2-5 exemplaren gemeld in de Oosterse Laagjes. Een ander voorbeeld is de Jan Gerritsepolder, waar in 1990 gedurende de eerste twee weken van mei een wisselend aantal individuen aanwezig was. Van dag tot dag wisselende aantallen kunnen worden veroorzaakt door het onopvallende gedrag van de soort. Het kan ook wijzen op een snelle doorstroom van individuen.

BSP-nb brengt trekvogels goed in beeld
Dankzij het BSP-nb is er toch enig inzicht in het voorkomen van Temmincks Strandlopers in Zuid-Holland-zuid. Hun nachtelijke trekvluchten, verspreide voorkomen in lage dichtheden en afwezigheid buiten de trekperiode maakten soort bij uitstek geschikt om te volgen op basis van dit project. Door middel van standaardisatie in het bezoeken van geschikte gebieden in de goede periode kan in de toekomst mogelijk meer gezegd worden over de trend van deze geheimzinnige steltloper.

Literatuur
Bijlsma, R.G., Hustings, F. & Camphuysen, C.J. 2001. Algemene en schaarse vogels van Nederland (Avifauna van Nederland 2). GMB Uitgeverij/KNNV Uitgeverij, Haarlem/Utrecht.
Del Hoyo, J. Elliott, A. & Sargatal, J. (eds) 1996. Handbook of the Birds of the World. Vol. 3. Hoatzins to Auks. Lynx Edicions, Barcelona.
Delaney, S., Scott, D., Dodman, T. & Stroud, D. (eds) 2009. An Atlas of Wader Populations in Africa and Western Eurasia. Wetlands International, Wageningen.
Hustings, F. & Van Winden, E. 1995. Temmincks Strandlopers in Nederland. SOVON-Nieuws 8: 3. pp. 14-16.
LWVT/SOVON 2002. Vogeltrek over Nederland 1976-1993. Schuyt & Co, Haarlem.
Van den Oord, A.M. en Wagenaar, J.M. 1946. Mededeelingen van de Werkgroep der Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging Afdeeling Rotterdam. Mei 1946: 4. pp. 12.
SOVON 1987. Atlas van de Nederlandse Vogels. SOVON, Arnhem.