Telmethoden Niet-broedvogels

Voor een groot aantal vogelsoorten is ons land belangrijk als overwinterings- of doortrekgebied. Om de aantallen en verspreiding buiten de broedtijd vast te leggen, evenals veranderingen die daarin optreden, gebruiken we verschillende methoden:

Integrale (landelijke) watervogeltellingen
Watervogels, waarvoor ons land van internationale betekenis is, worden zo volledig mogelijk geteld. Dit vindt plaats door maandelijkse tellingen in de belangrijkste wetlands. Eenmaal per winter, in januari, wordt getracht zo veel mogelijk andere gebieden eveneens te tellen. Hierdoor krijgen we een zo compleet mogelijk overzicht.

Tellingen op slaapplaatsen
Sommige vogelsoorten gebruiken gemeenschappelijke slaapplaatsen. Door ze daar te tellen, ontstaat een beeld van het voorkomen van de soort(en) in een groot gebied rond de slaapplaats. Het telwerk spitst zich toe op soorten en gebieden waarvoor Nederland van bijzonder belang is.

Steekproeftellingen van alle wintervogels
Kleine of onopvallende vogelsoorten zijn buiten de broedtijd lastig te tellen. Midden in de winter kunnen ze echter gevolgd worden met een steekproefmethode. Uitgangspunt bij het Punt-Transect-Tellingenproject (PTT) zijn 20 vaste telpunten, terwijl dat bij de Tuinvogeltelling de eigen tuin is.

Tellingen van trekvogels
Tellingen van alle voorbijtrekkende vogels vanaf een vast punt geven inzicht in de trek: welke soorten en aantallen, wanneer, en vinden veranderingen plaats. Het ringen van vogels met als doel meer te weten te komen over de trek, is een activiteit van het Vogeltrekstation. Sovon werkt nauw samen met het Vogeltrekstation bij een specialistisch ringonderzoek in de broedtijd.

Landelijke atlasprojecten
Sovon organiseerde tot nu toe tweemaal een landelijk atlasproject voor alle vogels buiten de broedtijd. Hiermee verkrijgen we een landelijk zo gedetailleerd mogelijk beeld van verspreiding en aantallen. Uitgangspunt hierbij zijn de ‘atlasblokken’ met een vast grid van 5x5 km. Binnen deze atlasblokken stellen vogeltellers vast welke soorten aan- of afwezig zijn en maken ze een schatting van de talrijkheid van geselecteerde soorten. Tegenwoordig vindt binnen het altasblok ook detailonderzoek plaats in aangewezen ‘ kilometerhokken’  van 1x1 km. Dit brengt een belangrijke nuancering aan in de verspreidingspatronen van soorten die wijd verspreid voorkomen.

Standaardisatie en handleidingen
Om tot betrouwbare resultaten te komen, die zo goed mogelijk vergelijkbaar zijn tussen waarnemers en jaren, is het belangrijk te werken met gestandaardiseerde methoden. Sovon hecht hier grote waarde aan en heeft voor alle telprojecten handleidingen opgesteld. Gedetailleerde informatie per soort is te raadplegen op de website.

Wie zijn de tellers
Duizenden vrijwilligers voeren tellingen van vogels buiten de broedtijd uit, op individuele basis of in werkgroepverband. Bij de integrale watervogeltellingen wordt samengewerkt met experts, werkgroepen, terreinbeheerders en instituten. 

Kader
Het meeste onderzoek buiten de broedtijd maakt onderdeel uit van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM), het stelsel van natuurmeetnetten van de overheid. Sovon werkt hierin nauw samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Rijkswaterstaat, de provincies en, wat deelaspecten betreft, Vogelbescherming Nederland en soms ook sponsors. De landelijke coördinatie wordt mogelijk gemaakt door financiële bijdragen van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI).