Telmethoden Broedvogels

Sovon inventariseert al tientallen jaren de broedvogels in Nederland volgens een vaste methode. Broedvogels tellen is nodig om de aantallen en verspreiding van broedvogels vast te leggen, evenals veranderingen die daarin optreden.

Broedvogels tellen vindt op verschillende manieren plaats:

Integraal (landelijk) tellen van alle broedparen
Bij de volgende soorten is het min of meer mogelijk om jaarlijks alle broedparen te tellen:

  • In kolonies broedende soorten, zoals Aalscholver, verschillende reigers, Lepelaar, meeuwen, sterns, Oeverzwaluw en Roek.
  • Zeldzame soorten met een beperkte verspreiding en specialistische biotoopvoorkeur. Voorbeelden zijn Geoorde Fuut, Blauwe en Grauwe Kiekendief en Grauwe Gors.
  • Zeldzame soorten waarvan in ieder geval de belangrijkste regio’s worden onderzocht, zoals  Bruine Kiekendief, Grote Gele Kwikstaart, Tapuit en Grauwe Klauwier.

Lees meer over Kolonievogels »

Lees meer over BMP-Z »

Tellen in steekproefgebieden
Bij de meeste soorten is integrale telling niet mogelijk. Dan werken we met steekproeven die, als er maar voldoende van zijn (en met een goede spreiding over het land en de biotopen) representatief zijn voor Nederland. We onderscheiden de volgende methoden:

  • Territoriumkartering, waarbij de zingende vogels in een uitgekozen gebied in kaart worden gebracht, aangevuld met andere gedragingen die op broeden wijzen. De telling kan gericht zijn op alle soorten in het gebied (BMP-A), of juist op bepaalde soortgroepen zoals een vaste set van vrij schaarse soorten (BMP-B), roofvogels (BMP-R) of weide- en akkervogels (BMP-W).
  • Punttelling, waarbij gedurende een vaste tijd op een vaste plek alle terreingebonden vogels worden genoteerd. Zo is er een speciaal project voor vogels in stedelijk gebied (MUS).

Lees meer over BMP »

Lees meer over MUS

Landelijke atlasprojecten
Om de zoveel jaar organiseert Sovon een telling om tot een landelijk zo gedetailleerd mogelijk beeld van verspreiding en aantallen te komen.

Uitgangspunt hierbij zijn de ‘atlasblokken’ met een vast grid van 5x5 km. Binnen deze atlasblokken stellen vogeltellers vast welke soorten aan- of afwezig zijn en maken ze een schatting van de talrijkheid van geselecteerde soorten. Tegenwoordig vindt binnen het altasblok ook detailonderzoek plaats in aangewezen ‘ kilometerhokken’  van 1x1 km. Dit brengt een belangrijke nuancering aan in de verspreidingspatronen van soorten die wijd verspreid voorkomen.

Lees meer over Atlasprojecten »

Standaardisatie en handleidingen
Om tot betrouwbare resultaten te komen, die zo goed mogelijk vergelijkbaar zijn tussen waarnemers en jaren, is het belangrijk te werken met gestandaardiseerde methoden. Sovon hecht hier grote waarde aan en heeft voor alle telprojecten handleidingen opgesteld. Gedetailleerde informatie per soort is te raadplegen op de website.

Lees meer over Telrichtlijnen »

Wie zijn de tellers
Duizenden vrijwilligers voeren tellingen van broedvogels uit, op individuele basis of in werkgroepverband. Bij met name de integrale inventarisatie wordt samengewerkt met experts, werkgroepen, terreinbeheerders en instituten die landelijk of regionaal actief zijn en een groot deel van de (soms zelfs vrijwel alle) gegevens aanleveren.

Kader
Het meeste broedvogelonderzoek maakt onderdeel uit van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM), het stelsel van natuurmeetnetten van de overheid. Sovon werkt hierin nauw samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Rijkswaterstaat, de provincies en, wat deelaspecten betreft, Vogelbescherming Nederland en soms ook sponsors. De landelijke coördinatie wordt mogelijk gemaakt door financiële bijdragen van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI).