Steenuilonderzoek

De Steenuil is de afgelopen decennia gevoelig in aantal achteruitgegaan. De afname is een gevolg van veranderingen in de leefomgeving, zoals verlies van nestgelegenheid en verslechterende voedselomstandigheden. Om het tij te keren, en de soort te behouden als kenmerkende (mede)bewoner van het platteland, is meer kennis nodig van de factoren die de populatie aansturen.

Onderzoek
Het onderzoek richtte zich tot nu toe vooral op (ontwikkelingen in) broedsucces, habitatgebruik en voedsel. Daarbij wordt nauw samengewerkt met vrijwillgers van STONE SteenuilenOverleg Nederland, Landschapsbeheer Nederland en Vogelbescherming Nederland. 

Broedgegevens
De analyse van broedgegevens geschiedde aan de hand van de database van het Nestkaartenproject van Sovon, waarin zeer veel gegevens van STONE medewerkers zijn opgenomen, evenals ouder referentiemateriaal. De analyse spitste zich toe op de periode 1977-2003 (in totaal 3176 nesten) en had als belangrijkste resultaten:

  • Het aandeel nesten in nestkasten is sterk gestegen, wat een gevolg is van afnemende natuurlijke nestgelegenheid en toegenomen aanbod aan kunstmatige nestgelegenheid
  • De gemiddelde legselgrootte is significant afgenomen
  • Het nestsucces (aandeel nesten dat tenminste 1 uitvliegend jong oplevert) is afgenomen.
  • Het aantal uitvliegende jongen per getart nest (variërend van 1,6 tot 2,1) is te laag voor de instandhouding van een stabiele populatie (2,2).

Habitatgebruik
Het is belangrijk om te weten welke elementen in het landschap van belang zijn bij het vergaren van voedsel, en waaruit dat voedsel bestaat. Daarom zijn in 2007 en 2008 in de Achterhoek 11 volwassen Steenuilen (van 6 broedparen) gezenderd. Camera' s registreerden welke prooien werden aangevoerd. Enkele conclusies:

  • Paardenweitjes worden veel bezocht in de vroege fase (eileg en broeden)
  • Gazons worden vooral in de jongenfase bezocht
  • Mais, gerst en intensief grasland werd niet of nauwelijks bezocht
  • Het voedsel bestond uit muizen (vooral begin broedcyclus, maar dat kan per jaar verschillen), in belangrijke mate aangevuld door regenwormen, rupsen, larven en lokaal talrijke voedselbronnen (hier: meikevers).