Staat van Instandhouding van soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen

Hoe is de Staat van Instandhouding bepaald van vogelsoorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen?

Wat is de Staat van Instandhouding?

De Staat van Instandhouding (SvI), zoals geformuleerd binnen de Habitatrichtlijn, is een maat voor de duurzaamheid van een populatie. De methodiek die bij de Habitatrichtlijn wordt gehanteerd kent vier hoofdaspecten die worden meegewogen bij een beoordeling: verspreiding, populatie, leefgebied en toekomstperspectief. Deze methode is in het Natura 2000-doelendocument ook gehanteerd voor de beoordeling van de staat van instandhouding van vogels (LNV 2006).

De Vogelrichtlijn kent het begrip SvI niet als zodanig. Als ‘indicatieve SvI’ wordt deze informatie wel gebruikt als hulpmiddel voor instandhoudingsmaatregelen ten behoeve van vogels. In de Wet natuurbescherming wordt het begrip SvI wel gehanteerd in relatie tot soorten van de Vogelrichtlijn. 

Methodiek vaststellen Staat van Instandhouding

Foppen et al. (2016) hebben in het kader van een studie naar de ecologische haalbaarheid van de landelijke instandhoudingsdoelen voor vogels de staat van instandhouding van de aanwijssoorten bepaald. Dat betreft alle vogelsoorten waarvoor Nederland in het kader van de Vogelrichtlijn Natura 2000-gebieden heeft aangewezen. Zij vallen terug op de aanpak en definities uit de Habitatrichtlijn voor het bepalen van de SvI. De zelfde werkwijze is eerder voor vogels ook al gehanteerd bij de vaststelling van de landelijke instandhoudingsdoelen (LNV 2006). De huidige benadering van deze aspecten, de gebruikte bronnen en criteria in Foppen et al. (2016) lichten we hieronder toe.

Aspect populatie

Op basis van LNV 2006 zijn drie onderdelen behorende tot het aspect populatie beoordeeld:

  1. Actueel aantal t.o.v. aantal in het doel: de mate waarin het actuele aantal (vaak een meerjarig gemiddelde) zich ten opzichte van het aantal in de doelformulering bevindt. In de Habitatrichtlijn wordt aangegeven dat als doelformulering een Gunstige Referentiewaarde (Favourable Reference Value) dient te worden gebruikt. Omdat deze laatste voor vogels vooralsnog niet beschikbaar is hanteren we daarom het instandhoudingsdoel als referentie. De mate waarin het actuele aantal overeenkomt of verschilt van het aantal in het doel wordt als een percentage weergegeven waarbij negatieve percentages zich onder het doelaantal bevinden en positieve erboven, nul procent geeft aan dat het actuele aantal hetzelfde is als het doelaantal.
  2. Trend in aantal: hoe ontwikkelen de aantallen zich trendmatig? Bij broedvogels gaat het daarbij om de trend sinds 1990 en bij niet-broedvogels om de trend sinds 1980/81. Het verschil in begin periode tussen broedvogels en niet-broedvogels heeft met beschikbaarheid van betrouwbare data te maken. In afwijking van de eerdere beoordeling zoals weergegeven in tabel 1 waar gesteld wordt dat een afname tussen 0 en 1% per jaar en afnames groter dan 1% per jaar bijdragen aan beoordelingen voor een slechte staat van instandhouding worden in deze studie de  trendbeoordelingen gehanteerd zoals in het Netwerk Ecologische Monitoring (Soldaat et al. 2007). Een jaarlijkse verandering van meer dan 1% op basis van een lineaire trend hoeft namelijk nog niet meteen significant te zijn. Er wordt bovendien een trend voor de lange-termijn met de eerder genoemde startjaren en voor de korte-termijn (laatste 10 jaar) aangegeven. De trendontwikkeling op de lange termijn wordt als leidend voor de beoordeling gehanteerd.
  3. Demografie: hoe zal de populatie zich ontwikkelen aan de hand van een analyse en prognose (stabiel/af- of toename) die gemaakt kan worden op basis van huidige kennis over voortplanting, overleving en andere demografische aspecten? Volgens de criteria die worden gehanteerd bij de rapportages betreffende de Habitatrichtlijn is de situatie gunstig indien op grond van de huidige demografie (gemiddelde in afgelopen 5-6 jaar) een stabiele of toenemende populatie kan worden verwacht.

Voor broedvogels worden de recente landelijke aantallen gebruikt zoals vastgesteld voor de periode 2009-2013 en trends voor de periode 1990-2013 op basis van Boele et al. (2015). Voor doortrekkers en wintergasten (niet-broedvogels) zijn de recente aantallen t.o.v. de doelaantallen gebaseerd op de seizoenen 2008/09 – 2012/13 en de trends op  de periode 1980/81 – 2012/13, op basis van Hornman et al. (2015). Voor een oordeel over de demografische toestand is, indien beschikbaar, gebruik gemaakt van informatie zoals weergegeven op www.sovon.nl/vogelinfo (o.a. informatie over broedsucces en overleving op basis van het nestkaartenproject, constant effort sites project en monitoring van broedsucces van karakteristieke Waddenzeevogels). Daarnaast zijn literatuurbronnen geraadpleegd (bijv. van der Jeugd et al. 2014).

Criteria Staat van Instandhouding voor aspect populatie | Sovon

Aspect Verspreiding

In het kader van de Habitat- en Vogelrichtlijn gaat het hierbij vaak over (veranderingen) in de range (buitengrenzen van het voorkomen) op het niveau van Europa. Binnen een klein land als Nederland is deze maat van verandering niet zinvol en wordt uitgegaan van de verspreiding (areaal genoemd in LNV 2006) (de mate van geografisch voorkomen binnen de range) zoals ook voor habitatsoorten is gedaan (Ottburg & van Swaay 2014). Omdat we niet beschikken over een Gunstige Referentie Waarde voor verspreiding wordt bij dit aspect alleen gekeken naar de verandering (=trend) in verspreiding. Dat kunnen we doen op grond van atlasinformatie over verspreiding die voor broedvogels aanwezig is op basis van aanwezigheid in zogenaamde uurhokken (5x5 km). We doen dit op basis van de broedvogelatlas uit de periode 1973-1977 (Teixeira 1979) en 9800-0812 op basis van de EU 10x10 km-hokken, zoals berekend voor de artikel 12 VR-rapportage (van Kleunen et al. 2013).

Voor niet-broedvogels is op basis van beschikbare gegevens gebruik gemaakt van een vergelijking tussen de periode 1999-2003 en 2009-13. Er wordt hierbij gekeken naar de veranderingen in verspreiding op basis van de bezetting van hoofdgebieden binnen de monitoringgebieden van het watervogelmeetnet. Omdat we geen significante trends kunnen berekenen zoals bij de populatietrend is het lastiger om een grens aan te geven waarbij we echt moeten oordelen dat de verspreiding is veranderd. Niet alles kleiner dan 0 is een echt relevante verandering. Daarom is gekeken  naar de grenswaarden 1 en 5% verandering per jaar. Dat komt neer op een 10% resp. 40% verandering over de niet-broedvogelperiode (2003-2013).

Criteria Staat van Instandhouding voor aspect verspreiding | Sovon

Aspect Leefgebied

Voor het bepalen van het aspect leefgebied is een kwantitatieve aanpak niet mogelijk bij gebrek aan gunstige referentiewaarden voor omvang en kwaliteit leefgebied. Dit aspect is daarom op basis van bestaande kennis en expert judgement ingevuld. Er worden twee inschattingen gemaakt:

  1. Belangrijkste leefgebied benoemd en trend van omvang leefgebied gescoord.
  2. Belangrijkste kwaliteitsaspect van leefgebied benoemd en trend van dit kwaliteitsaspect gescoord.

De inschattingen voor belangrijkste leefgebied en belangrijkste kwaliteitsaspect zijn vooral gebaseerd op de informatie zoals weergegeven in de Natura 2000-profielen.

Criteria Staat van Instandhouding voor aspect leefgebied | Sovon

Toekomstperspectief

Het toekomstperspectief is de verwachte SvI in de toekomst op basis van de verwachte ontwikkeling in relevante drukfactoren en het effect van in te zetten maatregelen voor verbetering. In deze studie is dit toekomstperspectief voor het jaar 2027, 12 jaar vanaf nu, ingeschat. De volgende aspecten zijn gescoord:

  1. De belangrijkste drukfactor(en) voor de soort zijn benoemd en de verwachte ontwikkeling van die drukfactor (gunstig-matig ongunstig-zeer ongunstig) is gescoord.
  2. De belangrijkste maatregel voor herstel/behoud is benoemd en de verwachte ontwikkeling van de uitvoering van die maatregel in voldoende omvang (gunstig-matig ongunstig-zeer ongunstig) is gescoord.
  3. Het geprojecteerde aantal in 2027 in vergelijking met het doelaantal door de jaarlijkse verandering van de korte termijn trend (10 jaar trend) door te trekken naar 2027 en dit te vergelijken met het doelaantal (uitgedrukt als % verschil).

Voor het conclusieoordeel van het aspect toekomstperspectief is conservatief gescoord en daarbij is alleen gebruik gemaakt van Onbekend, Gunstig of Matig ongunstig omdat er een vrij grote onzekerheid zit in de inschattingen.

Criteria voor Staat van Instandhouding voor aspect Toekomstperspectief | Sovon

Gehanteerde methodiek voor bepaling eindoordeel SvI

De samenvattende score per soort is tot stand gekomen via een simpele ‘one-out-all-out’ benadering conform de eerdere aanpak in 2006 (LNV 2006). De deelscores leveren een conclusie-oordeel per aspect, dus een oordeel over Populatie, Verspreiding, Leefgebied en Toekomstperspectief. Het aspect met de zwaarste deelscore bepaalt het eindoordeel van de SvI.

Literatuur