Habitatgebruik en beheer ganzen

De toename van ganzen als broedvogel in Nederland leidt tot conflicten met onder andere de landbouwsector. Naast studies aan de populatieontwikkeling doet Sovon ook onderzoek aan de effectiviteit van eventuele maatregelen om ganzenproblemen op te lossen. Centraal staat daarbij de rol van opgroeihabitat voor jonge ganzen bij de overleving en de effecten op de populatiegroei.

Utrecht

In de periode 2004 t/m 2012 is getracht het aantal zomerganzen in de provincie Utrecht te verminderen met behulp van afschot, afvangst en nestreductie. Het heeft tot nu toe echter niet geleid tot een daling van de populatie en een afname van de schade.  Om tot een beperking van de ganzenschade in landbouwgebieden te komen, verdient het aanbeveling de inzet van duurzame maatregelen binnen het ganzenbeleid verder te verkennen. Ook stllen we dat eem scherpere analyse van de effectiviteit van het beheer mogelijk is met:

  • Continueer de vanaf 2011 jaarlijks uitgevoerde provinciedekkende zomerganzentellingen
  • Jaarlijkse gegevens over broedsucces van Grauwe (en andere) Ganzen te verzamelen, door kort na het broedseizoen (in juli i.p.v. september) het aandeel pas uitgevlogen juveniele vogels te bepalen in steekproeven uit de populatie van voldoende omvang, met een goede spreiding over habitats en regio’s, en uitgevoerd door deskundige waarnemers.
  • Nader onderzoek naar de mate van additiviteit van afschot en vangst, mede in relatie tot de leeftijds- en seizoensverdeling hiervan.
  • Op systematische basis gegevens te verzamelen over de leeftijdssamenstelling van geschoten en weggevangen ganzen.
  • Aandacht te besteden aan de kwaliteit van de gegevensverzameling in het veld, onder meer door toetsing aan (eventueel te ontwikkelen) protocollen en, in het geval van tellingen, door steekproefsgewijs onafhankelijke dubbeltellingen uit te voeren die kwantitatief inzicht geven in de bijbehorende onzekerheidsmarges. 

Bekijk ook het rapport 'Beheer van zomerganzen in de provincie Utrecht'.

Ooijpolder

Sinds 1997 wordt de broedpopulatie Grauwe Ganzen in de Ooijpolder bij Nijmegen nauwkeurig gevolgd. Nesten worden opgespoord, het nestsucces wordt bepaald en aan de hand van geringde vogels worden individuele ganzen gevolgd, zodat ook analyses omtrent broedsucces en overleving van jonge en volwassen vogels mogelijk zijn. Onderdeel van het project is de rol van terreinbeheer bij de populatieontwikkeling van de ganzen. Jonge ganzen die op boerengrasland groot worden, hebben een betere conditie en een hogere overleving dan jonge vogels die in extensieve kruidenrijke terreinen opgroeien. Extensivering van de leefomgeving kan dus helpen om de groeisnelheid van de lokale broedpopulatie af te remmen.

De Deelen

In opdracht van het Faunafonds en de Provincie Friesland werd in samenwerking met Staatsbosbeheer en een aantal landbouworganisaties in 2007-2009 een verkennende studie uitgevoerd in het moerasgebied De Deelen in Friesland. Ganzen die in dit gebied broeden veroorzaken schade aan de landbouwpercelen in de directe omgeving. Met een raster om het broedgebied werd voorkomen dat de ganzenfamilies zich vanuit het moeras naar de landbouwpercelen konden verplaatsen. Om de effecten hiervan te onderzoeken werd de broedbiologie van de ganzen onderzocht en werden vogels geringd. In de twee onderzoeksjaren waarin een raster werd geplaatst, bleek de overleving van de ganzenjongen erg laag (17.6 – 19.1%). Het bevestigde dat verminderde kwaliteit van de opgroeihabitat een negatief effect heeft op de jongenoverleving. De plaats van het raster had ook duidelijk effect op het terreingebruik van de families. Het opgroeigebied voor kuikens kan met behulp van een raster goed worden gemanipuleerd.

Effecten van onklaar maken van eieren

Het onklaar maken van eieren is een veel gebruikte methode om de groei van populaties broedende ganzen af te remmen. In verschillende gebieden werd onderzocht of deze maatregel effectief is.  Dat blijkt niet het geval. De praktijkvoorbeelden (o.a. Texel in 2005) lieten geen enkel effect op het aantal succesvolle families zien. Probleem is vooral dat het succes van een fractie van de aanwezige nesten voldoende is om de populatie in stand te houden. In veel gebieden is het opsporen en onklaar maken van alle nesten zeer arbeidsintensief en brengt het veel verstoring met zich mee voor andere broedvogels. Dit bevestigt een eerdere analyse van scenario's voor aantalsontwikkelingen in de Noordelijke Delta.