De Wilde Eend en de Knobbelzwaan

Gerard Ouweneel, Ton Eggenhuizen
Gespreksleiding: Rob Buiter

 

De Wilde Eend

Dit boek is het 21e deel van de befaamde reeks vogelmonografieën van de Uitgeverij AtlasContact. Van menig collega-vogelaar kreeg ik de verbaasde vraag: ‘Gerard, waarom nu juist de wilde eend?’ Van het rijtje antwoorden dat ik gaf hier drie.

Allereerst is het boek een eerbetoon aan de watervogel-autoriteit Tom Lebret, met wie ik tot diens heengaan in 1982 veel optrok. Deze had zelf het plan voor een wilde eendenmonografie. Via de Werkgroep Ornithologisch Erfgoed, kwam ik in het bezit van Lebrets werkdossiers. Dan is er het fenomeen dat in de noordelijke Delta de wilde eend ’s winters qua aantallen wordt overvleugeld door de ecologisch nauw verwante krakeend, een soort waarvoor ik in de jaren vijftig uitrukte. En tot slot is het voor een ouder wordende vogelaar prettig om op een stoeltje, omringd door allerlei het bestaan aangenamer makende zaken, aan de rand van een sloot of plas, het gedoe van eenden te bestuderen!

De Knobbelzwaan

Een statig zwemmende knobbelzwaan op een vijver. Voor veel stadsmensen is dat de ultieme natuurervaring. Voor veel vogelaars ligt dat anders. Voor een natuurervaring ga je immers naar een natuurgebied. Daarnaast heeft de knobbelzwaan nog steeds een zweem van onnatuurlijkheid. In veel boeken, ook de eerste Sovon-vogelatlassen werd steeds gehamerd op de niet-natuurlijke herkomst van de zwanen. De zwanendrift, de poolse zwaan, de waterwildcollecties, het waren allemaal argumenten om de knobbelzwaan als een tamme, half-tamme of nakomelingen van tamme vogels te beschouwen. Pas in de laatste Sovon-atlas wordt de knobbelzwaan beschreven als ieder andere soort.

Hoe terecht is het om de knobbelzwaan als niet-wilde vogel te beschouwen? En bovendien, wat is wild en wat is niet wild in een door de mens gedomineerde wereld? Stadsecoloog Ton Eggenhuizen gaat in zijn monografie over de knobbelzwaan én op de Sovon-dag in op deze vragen.