De Nederlandse vogelbevolking over 40 jaar: terug in balans of exotische dynamiek?

Terugkijkend naar 40 jaar vogels tellen onder de paraplu van Sovon is één ding duidelijk: de vogelwereld onderging grote veranderingen. Wie had rond 1973 kunnen bevroeden dat de Grote Zilverreiger een ‘normale’ vogel zou worden in Nederland en dat de Patrijs bijna zou verdwijnen, om maar een paar voorbeelden te noemen. Dat maakt voorspellingen hachelijk. Maar wel uitdagend!

Twee invalshoeken

Ik kan uren fantaseren over de toekomst maar zal me hier beperken tot enige bespiegelingen. Daarbij gebruik ik twee invalshoeken: een optimistische en een pessimistische. Dat doet vermoeden dat er een waardeoordeel aan vastzit. Maar het is niet mijn bedoeling om een beeld op te wekken over een toekomstige ‘goede’ of ‘slechte’ vogelwereld. Die twee termen gebruik ik om aan te geven op welke wijze de mens omgaat met zijn omgeving. In het optimistische scenario heeft de mens (enigszins) grip op zijn wereld en kan hij zaken naar zijn hand zetten. In het pessimistische scenario zijn wij, en de vogelwereld, speelbal van milieuproblemen.

Optimistische variant

Mileuproblemen op orde

Laten we starten met een optimistische kijk op de wereld van rond 2050. Daarin zijn de grote milieuproblemen onder controle: water, lucht en bodem zijn weer redelijk schoon. Verzuring en vermesting zijn teruggedrongen. Duurzame energie heeft het gebruik van fossiele brandstoffen geminimaliseerd. De gemiddelde temperatuur stijgt nog steeds, maar de toename is getemperd. De burger heeft weer grip op zijn leefomgeving. Er wordt voldoende geld besteed aan het beheer van natuurterreinen. Het allerbelangrijkste is dat de milieudruk van de intensieve landbouw een halt is toegeroepen. Een groot deel van de landbouw is duurzaam, de sector is ook vele malen kleiner dan voorheen en legt beslag op een veel kleiner deel van het land omdat de export behoorlijk is gereduceerd. De gevolgen voor de vogels blijven niet uit.

Terugkeer vogels van bouwland en heggen

Grasmus (Foto: Harvey van Diek)
Grasmus (Foto: Harvey van Diek)

In het boerenland zingen weer vogels. Het soortenspectrum is echter deels anders voorheen. Akkerlandschappen worden bevolkt door Grasmussen, Kleine Karekieten en Roodborsttapuiten. Ze profiteren van de structuurrijke (sloot)randen die inmiddels gemeengoed zijn in grote delen van ons land. In een aantal gebieden zijn Grauwe Gorzen teruggekeerd. Ze delen de randen van hun territoria met de Geelgors, een soort die een verrassende comeback maakte in West-Nederland. In Zuid- en Oost-Nederland zijn Kuifleeuwerik en Hop inmiddels weer gewone bewoners van dit landschapstype. Bijzonder blijft het voorkomen van de Griel. Opmerkelijk genoeg is de kleine populatie niet in de duinen te vinden (zoals begin 20e eeuw), maar valt de Achterhoek de eer te beurt als grielenparadijs. In het oosten van het land zijn in akkers broedende Grauwe Kiekendieven volop te vinden. In de Peelstreek zijn ze bijna net zo gewoon als pakweg 125 jaar geleden.

Wisselende successen weidevogels

In de weidegemeenschappen kunnen we genieten van zingende Veldleeuweriken, Graspiepers en Gele Kwikstaarten. Met onze ‘ekoweidekaas’ industrie zijn weer grote delen van het grasland veranderd in vogelvriendelijke habitats met bloemrijk grasland en grazende ekokoeien. Kwartel, Ooievaar en Kwartelkoning zijn wijd verbreid.
De ‘echte’ weidevogels Grutto en Kievit zijn dun gezaaid en beperkt tot reservaten in de weinige resterende laagveengraslanden. Opmerkelijk hier is de comeback van Tureluur, Watersnip en Kemphaan. De populatie Kemphanen is zelfs groter dan die van de Grutto, net zoals rond pakweg 1900 geweest zal zijn. En net als toen komt de Scholekster alleen nog aan de kust voor.
De ganzengemeenschap is ruim vertegenwoordigd. In de ganzengenietgebieden broeden niet alleen Kolgans, Brandgans en Grauwe Gans, maar ook de Roodhalgans. De merkwaardige situatie doet zich voor dat de als niet-inheems beschouwde Roodhalsgans (afkomstig uit waterwildcollecties) binnen de Nederlandse grenzen talrijker broedt dan in het natuurlijke leefgebied, en als zodanig een beschermde status geniet.

Stedelijk gebied steeds belangrijker

De stad heeft zich ontwikkeld tot een belangrijk vogelgebied. Door de voortdurende inzet op duurzame stadsontwikkeling en het implementeren van het concept van de ‘groene’ longen komt in de stad een steeds groter aandeel van de Nederlandse broedvogelpopulatie voor. Ook soorten als Middelste Bonte Specht en Oehoe hebben de stad gevonden, de eerste in stadsparken broedende Dwerguilen zijn een feit en vrijwel alle Sperwers nestelen in urbane gebieden. Ook nieuwe soorten blijken de stad aantrekkelijk te vinden, zoals de Alpengierzwaluw.

Klimaateffecten vooral positief?

Tja, wat kunnen we nog meer noemen? De niet-aflatende stroom van nieuwkomers uit het zuiden, in het kielzog van de klimaatopwarming: Provencaalse Grasmus, honderden bijeneterparen die inmiddels onze riviergebieden bevolken, tientallen Slangenarenden die zich niet blijken te voeden met slangen en andere reptielen maar met amfibieën, Dwergooruilen die minstens even talrijk zijn als de Steenuil? In de halfopen landschappen zien we steeds vaker Roodkopklauwier, Cirlgors, Baardgrasmus en Orpheusspotvogel. Naast de al langer gevestigd Visarend is het nu wachten op de eerste Dwergarend die in Nederland gaat broeden. De gewone vogelaar heeft het er maar druk mee om alles bij te houden.
Maar er zijn ook keerzijden. De Waddenzee fungeert nog steeds als een belangrijk opvetgebied voor Scandinavische en Russische doortrekkers, maar de aantallen zijn lang niet meer zo groot als vroeger. De broedpopulaties van de steeds kleiner wordende toendra’s zijn immers danig geslonken. Slechts enkele duizenden noordelijke ganzen weten in de winter Nederland nog te vinden. De rest overwintert in de uitgestrekte Russische landbouwgebieden die nu dankzij zachte winters geschikt zijn. Voor de Spotvogel moeten we naar Noord-Europa afreizen.

 

Pessimistische variant

Steeds nieuwe milieuproblemen

En dan nu het beeld geschetst vanuit een pessimistisch perspectief. Milieuproblemen zijn (nog steeds) een groot probleem. De aanvankelijke gedachte dat de grootste boosdoeners onder controle waren, bleken helaas voorbarig. Steeds nieuwe milieuproblemen komen naar voren: het meeste recente is het besef dat met het veelvuldig toepassen van de nanotechnologie stoffen in het milieu kwamen die voor een nieuwe golf van onbedoelde vergiftiging hebben gezorgd. De natuur is nog steeds speelbal van de grillen en grollen van de mens. De intensivering van de landbouw gaat onverminderd door, er zijn vele monden te voeden en Nederland roert aardig de trom bij de export van landbouwproducten.

Zomerganzen en exoten

De verandering van de vogelbevolking in het boerenland is totaal. Zangvogels zijn daar zo goed als verdwenen, slechts enkele andere, maar wel heel in het oog springende soorten kwamen ervoor in de plaats. Op een mooie voorjaarstocht zie je voornamelijk Grauwe Gans, Kolgans, Canadese Gans, Nijlgans, Magelhaengans en Knobbelgans. In de moerasgebieden zien we nieuwe soorten opduiken zoals het Sint-Helenafazantje en Tijgervink. Exoten alom, in de stad kunnen we naast de talrijke Halsbandparkiet genieten van de Monniksparkiet en de Treurmaina.

Stadsvogels in de verdrukking?

Zwarte Kraai (Foto: Harvey van Diek)
Zwarte Kraai (Foto: Harvey van Diek)

De laatste Turkse Tortels vinden we in enkele Amsterdamse parken. In alle andere steden is de Palmtortel met een enorme opmars bezig. Onze ‘normale’ stadsvogels doen het in de oude ‘deftige’ stadswijken goed. Van een groot aantal standvogels komt meer dan 80% van de populatie nu in het stedelijk gebied voor: Merel, Roodborst, Heggenmus, Koolmees en Pimpelmees. Helaas zijn de vogelaantallen in de ‘krachtwijken’ (voorheen prachtwijken, Vogelaarwijken enzovoort) behoorlijk gedaald, met name door de verregaande ‘verstening’: tuinen onderhouden kost de moderne mens te veel tijd. De Huismus is zo goed als verdwenen uit de stad en alleen nog op het platteland te vinden. Naast de standvogels onder de zangvogels bepalen Zwarte Kraaien, Kauwen en Houtduiven het aanzicht.

Meer kilo’s, minder diversiteit

Opmerkelijk genoeg hebben we nog nooit zo veel vogels in Nederland gehad; uitgedrukt in kilo’s, dat wel. Dat komt deels door de verdere opmars van zomerganzen en exoten. Door de almaar versnellende klimaatverandering is de toch al dynamische vogelwereld op z’n kop gezet. Soorten met een zuidelijk verspreidingszwaartepunt zoals Cirlgors, Baardgrasmus en Alpengierzwaluw zijn verschenen, al lijken ze niet te floreren. Noordelijker soorten als Wintertaling, Matkop en Spotvogel zijn verdwenen.
Opmerkelijk is verder dat de vogelbevolking overal in Nederland ongeveer hetzelfde is. De nieuwste verspreidingsatlas laat een heel gelijkmatige verspreiding zien van het merendeel van de ‘normale’ soorten. Er is amper nog verschil in de vogelbevolking van Twente, de Randstad of Zeeuws_Vlaanderen.
In de winter zien we grote groepen ganzen, maar die bestaan voor 80% uit de hier broedende soorten. Vanuit het noorden komen nog maar heel kleine aantallen onze kant uit. Vroeger hier gewone overwinteraars als Topper, Grote Zaagbek en Nonnetje werden dwaalgast. Ze overwinteren veel noordelijker, nu ook daar veel mildere winters heersen. Soorten die voorheen over korte afstand wegtrekken, blijven inmiddels de gehele winter in Nederland. Roodborsttapuit, Zwarte Roodstaart, Zwartkop en Tjiftjaf zijn 100% standvogels geworden.

Het woord is aan de tellers

Hoe waarheidsgetrouw zijn deze bespiegelingen? In ieder geval kunnen we ons voorbereiden op onverwachte ontwikkelingen, want de natuur laat zich niet alleen moeilijk voorspellen, zij staat ook bol van verrassingen. Dat ligt mede aan de veerkracht die soorten laten zien. Maar de mens moet ook een handje helpen. Uit het recent verschenen rapport ‘Wildlife comeback in Europe’ blijkt dat aansprekende, iconische soorten, waaronder verschillende roofvogels, met een goede bescherming heel snel kunnen toenemen. Ook Nederland profiteert daarvan getuige bijvoorbeeld de (her)kolonisatie van de Zeearend. In de laatste 50 jaar hebben nog nooit zo veel roofvogelsoorten en -paren in ons land gebroed. Het is dus niet zo raar gedacht dat meer van die soorten Nederland kunnen bereiken.

Never a dull moment

Uiteindelijk zal de waarheid wel ergens het midden houden tussen deze twee uiterste scenario’s. Een ding is zeker: never a dull moment! De vogelaars moeten blijven registreren en zullen meer dan voldoende uitdaging hebben om te blijven tellen en vastleggen. Saai zal het zeker niet worden en het zal ertoe bij dragen dat Sovon tot in de lengte der jaren over een schare van enthousiaste en fanatieke vogelwaarnemers kan beschikken.

Ruud Foppen (Foto: Harvey van Diek)
Ruud Foppen (Foto: Harvey van Diek)

Ruud Foppen