Broedvogelonderzoek in het agrarische gebied van Flevoland

Het nationale weidevogelmeetnet is in 2000 opgezet met het doel om goede schattingen te verkrijgen van de landelijke en regionale trends van karakteristieke broedvogels van het agrarische gebied (Teunissen & van Strien 2000). Het meetnet is onderdeel van het landelijke meetnet broedvogels dat wordt georganiseerd in het kader van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM), het stelsel van natuurmeetnetten van de overheid.

 

Sinds 2002 organiseert en coördineert Sovon Vogelonderzoek Nederland vogeltellingen binnen het meetnet in het agrarische gebied van Flevoland. In de eerste jaren betrof het uitsluitend tellingen volgens de methode van het Broedvogel Monitoring Project (BMP) in een aantal vaste telgebieden – geheel in lijn met broedvogelinventarisaties elders in het land.

Rond 2008 werd een nieuwe methode van vogeltellingen in het agrarische gebied ontwikkeld, specifiek inspelend op de omstandigheden in uitgestrekte akkergebieden. In tegenstelling tot in het BMP – waar vaste telgebieden vlakdekkend op de aanwezigheid van vogelterritoria wordt onderzocht – ging het hier om punttellingen. De methode staat bekend onder de naam Meetnet Agrarische Soorten (MAS). In 2010 voerde Sovon in opdracht van Provincie Flevoland voor het eerst een groot aantal van dergelijke MAS-tellingen uit.

In 2011 werd aan de algemene opzet vastgehouden, al werden enkele belangrijke wijzigingen in de MAS-methode doorgevoerd. Zo werd nu per telling 10 minuten geteld in plaats van vijf en werden vier telrondes uitgevoerd in plaats van drie. Deze wijzigingen werden vastgelegd in de nieuwe handleiding (Roodbergen et al. 2011) en werden ook toegepast bij MAS-tellingen in andere provincies.

 

Telpunten en telgebieden

Tussen 2011 en 2013 zijn jaarlijks dezelfde 235 MAS-telpunten en 12 BMP-telgebieden (1.164,8 ha) onderzocht. De MAS-telpunten liggen verspreid over het agrarische gebied in Flevoland, gelijkmatig verdeeld over Zuidelijk Flevoland, Oostelijk Flevoland en de Noordoostpolder. Een tamelijk gering aantal telpunten bevindt zich in natuurterreinen, waaronder de Oostvaardersplassen.

 

Impressie van akkervogelbevolking

Negen BMP-telgebieden in Flevoland zijn in dezelfde zeven jaren tussen 2002 en 2013 op broedvogels onderzocht (totale oppervlakte 1.014,2 ha). De resultaten aan meetsoorten zijn weergegeven in tabel 1. Hierin valt op dat slechts vier meetsoorten in tamelijke forse aantallen zijn vertegenwoordigd, namelijk Kievit, Veldleeuwerik, Graspieper en Gele Kwikstaart. Op enige afstand volgen Kwartel, Scholekster, Grutto en Tureluur, terwijl de overige meetsoorten zeldzaam te noemen zijn. De enige structurele toename die binnen deze selectie aan telgebieden in het oog springt, komt op het conto van Gele Kwikstaart.

 

 

Tabel 1. Aantallen territoria van meetsoorten in negen BMP-telgebieden (totale oppervlakte 1.014,2 ha) in agrarische gebieden in Flevoland in 2002, 2004, 2005, 2010, 2011, 2012 en 2013 en gemiddelde dichtheden (aantal territoria per 100 ha).

  2002 2004 2005 2010 2011 2012 2013 Gem. territoria Gem. dichtheid
Knobbelzwaan 0 1 1 0 0 0 0 0,6 0,1
Bergeend 0 0 0 1 0 1 1 0,4 0,0
Krakeend 0 3 0 0 1 5 2 1,6 0,2
Kuifeend 0 0 0 0 2 3 1 0,9 0,1
Kwartel 2 2 1 2 9 4 6 3,7 0,4
Scholekster 17 9 7 17 7 4 10 10,1 1,0
Bontbekplevier 0 0 0 1 0 1 5 1,0 0,1
Kievit 94 82 51 75 61 61 68 70,3 6,9
Grutto 13 5 4 13 7 5 27 10,6 1,0
Wulp 0 1 0 0 1 1 2 0,7 0,1
Tureluur 4 2 1 6 3 4 8 4,0 0,4
Veldleeuwerik 51 38 26 21 20 30 32 31,1 3,1
Graspieper 71 58 35 74 67 100 86 70,1 6,9
Gele Kwikstaart 55 64 67 127 146 145 178 11,7 11,0

 

 

Het is de vraag hoe representatief deze negen BMP-telgebieden zijn voor het gehele agrarische gebied van Flevoland. Op het eerste gezicht is het landschap tamelijk homogeen en zijn om die reden geen grote regionale verschillen in broedvogelbevolking te verwachten. Er bestaan echter verschillen die wel degelijk een rol kunnen spelen. Zo is de kavelgrootte gemiddeld genomen het kleinste in de Noordoostpolder en het grootst in Zuidelijk Flevoland en is de Noordoostpolder het langst geleden ingepolderd. Daarnaast kan bijvoorbeeld de nabijheid van open wateren (Randmeren, Markermeer, IJsselmeer) en/of natuurterreinen een rol spelen.

Kijkend naar BMP-resultaten uit Flevoland en uit andere akkerlandschappen in Nederland, dan springen diverse overkomsten in dichtheden en trends van broedvogels in het oog. Veel soorten staan onder druk en vertonen in het gehele land afnames. Karakteristiek voor het akkerlandschap in Flevoland zijn de grootschaligheid en hoge efficiëntie van het landgebruik, resulterend in een hoge mate van uniformiteit die zich ook vertaalt in de broedvogelbevolking.

Verder speelt de ‘jonge leeftijd’ van het landschap in Flevoland een rol. Kort na de inpoldering vestigden verschillende vogelsoorten zich, soms in hoge dichtheden. Dit geldt bijvoorbeeld voor enkele soorten steltlopers die opeens nieuwe – nog drassige – broedgebieden zagen ontstaan. Door de geleidelijke in gebruik name van het land die hierop volgde, veranderde het landschap en verdwenen veel van deze nieuwkomers weer.

De effecten van het kolonisatieproces in Flevoland waren in de eerste jaren na inpoldering duidelijk zichtbaar, maar zullen inmiddels nagenoeg ‘uitgewerkt’ zijn. In andere akkergebieden zullen vergelijkbare ontwikkelingen hebben plaatsgevonden, maar al veel langer geleden.

Aan de hand van de in recente jaren uitgevoerde broedvogeltellingen zijn de verspreiding en aantalsontwikkelingen van akkervogels goed in kaart gebracht. Ter illustratie zijn hieronder de kansenkaarten weergegeven van Veldleeuwerik en Gele Kwikstaart. Deze kaarten zijn vervaardigd op basis van de MAS-gegevens.

Kansenkaart Veldleeuwerik Kansenkaart Gele Kwikstaart
Figuur 1. Kansenkaart van Veldleeuwerik in 2013 in Flevoland (alleen agrarisch gebied) op basis van MAS-tellingen in het agrarisch gebied. De legenda verwijst naar het geschatte aantal territoria (‘paren’) per 1000 ha.
Figuur 2. Kansenkaart van Gele Kwikstaart in 2013 in Flevoland (alleen agrarisch gebied) op basis van MAS-tellingen in het agrarisch gebied. De legenda verwijst naar het geschatte aantal territoria (‘paren’) per 1000 ha.

 

Wilt u meer weten over het broedvogelonderzoek dat Sovon uitvoert in het agrarische gebied van Flevoland, neem dan contact op met Roy Slaterus.

 

Literatuur: