Wadden: geslachtsverhouding Rosse Grutto en goed jaar voor Drieteenstrandloper?

Het NIOZ rustte eerder dit jaar 30 Rosse Grutto’s uit met WATLAS zenders. Die zenders lieten vrijwel meteen zien dat mannetjes dicht onder de kust van het Balgzand bleven foerageren. Op basis van waarnemingen vraten ze erop los en aan de hand van sedimentmonsters bleek de wadbodem vol te zitten met slijkgarnalen. Ook verzamelde poepjes wezen uit dat dat het bulkvoedsel vormde.

Tijdens hoog water bestonden groepen Rosse Grutto’s er voor 80% uit mannen. Of die relatie tussen voedsel en geslachtsverhouding bij Rosse Grutto’s ook ‘Waddenzee-breed’ speelt, riepen we met de integrale mei-telling op steekproeven te nemen van de geslachtsverhouding. Dat lijkt het beeld te bevestigen dat langs slijkgarnaalrijke kusten mannen in de meerderheid zijn en de vrouwen talrijker zijn bij de eilanden. Langs de Friese Waddenkust was het aandeel mannen in mei 60-70%, op Texel en Richel waren de vrouwen in de meerderheid (55-60%). Bij Westhoek had ik de afgelopen zomermaanden tijdens meerdere tellingen 67-80% mannen. Om nu een mooie tijdserie van zulke data te maken en ook te zien wat er gedurende de winter gebeurt, zou het mooi zijn als jullie tijdens tellingen regelmatig een steekproef kunnen maken. Aantallen per geslacht invoeren kan in Avimap door onder ‘het potloodje’ het aantal en geslacht in te voeren. De gegevens even op de mail zetten naar mij mag natuurlijk ook. Dan zorg ik er weer voor dat dat bij Roeland Bom van ’t NIOZ komt.

Dit jaar verschenen de eerste volwassen Drieteenstrandlopers al vroeg uit hun broedgebieden. Halverwege juli werden grote groepen gemeld in Europa, in augustus zaten er met de steekproeftellingen op Griend en Richel alleen al ruim 10.000. Dit is niet noodzakelijkerwijs een teken van een slecht broedseizoen. Ook de eerste juvenielen waren (uitzonderlijk) vroeg. In Groenland (veldstation Zackenberg), waar medewerkers van drieteen-onderzoeker Jeroen Reneerkens dit jaar ‘drieteentjes’ bestudeerden, waren er erg veel territoria en was het broedsucces erg goed en groeiden de kuikens ook goed. De gemiddelde uitkomstdatum was niet veel anders dan in andere jaren. Of dit representatief is voor alle broedgebieden, zal nog moeten blijken en daarvoor zijn tellingen van juvenielen welkom. Mocht het tijdens de hvp-telling mogelijk zijn, noteer dan hoeveel adulten en hoeveel juvenielen er per groep zijn. Evenals met de Rosse Grutto’s kan dit in Avimap ingevoerd worden (onder ‘het potloodje’), maar op de mail naar mij kan ook en dan zorg ik dat het bij Jeroen Reneerkens van het NIOZ komt. Tel ze!

Romke Kleefstra