Regenwulp op trek, te herkennen aan relatief korte snavel, kopstreep maar vooral geluid. Foto: René van Rossum

Trekkende Regenwulpen, vooral in Laag-Nederland

Half april is het mekkerende ‘bi-bi-bi-bi’  geluid van overtrekkende Regenwulpen volop te horen. Althans in de noordwestelijke helft van het land. Grote slaapplaatsen werden zeldzaam.

Op sommige dagen talrijk
Op goede dagen registreren trektellers langs de kust soms vele honderden Regenwulpen, onderweg van West-Afrika naar Noord-Europa.  Op telposten als Camperduin, Scheveningen en Breskens zijn op topdagen meer dan 800 exemplaren genoteerd (maximum 906 langs Camperduin, 18 april 1992). In het binnenland gaat het om lagere aantallen, maar door het midden van het land gaat nog een flinke stroom Regenwulpen, getuige o.a. de 565 trekkers over De Horde bij Lopik op 19 april 2010. In de zuidoostelijke helft van het land is het sprokkelen geblazen en springen tellers een gat in de lucht als ze enkele tientallen Regenwulpen zien. Het kaartje van trektellen.nl spreekt boekdelen.

Grote slaapplaatsen, verleden tijd?
Regenwulpen op trek benutten gemeenschappelijke slaapplaatsen, maar daarin is veel veranderd. In de jaren zeventig van de 20e eeuw werden bij simultaantellingen tot 30.000 Regenwulpen vastgesteld, voor het merendeel slapend in vennen in Drenthe, Zuidoost-Friesland en Noord-Brabant. Waarschijnlijk door toegenomen onrust (Havik, Vos) verplaatsten de concentraties zich naar de Friese Waddenkust. Maar ook daar zijn de grote aantallen verleden tijd. In recente jaren worden ‘slechts’  enkele duizenden Regenwulpen geteld. Het is onbekend of ze hun slaapplaatsen naar het buitenland verplaatst hebben.