Foto: Harvey van Diek

Toendrarietganzen woelend in de modder

Half december, de akkers nat en plaatselijk vol met oogstresten. Een feestmaal voor de Toendrarietganzen. Snavels en poten vol modder, wat geeft het.

Ze zitten in deze tijd van het jaar voornamelijk op bouwland, graag op maisstoppels of akkers waar bieten of aardappels geoogst zijn. Pas later in de winter zijn ze ook meer op grasland te vinden.

Enkele honderdduizenden brengen de winter in ons land door. Vooral in de Veenkoloniën, de Wieringermeer, de Peel maar ook elders waar veel bouwland te vinden is. Echte bikkels, winterhard. Een beetje sneeuwval of vorst doet ze niets. Pas als er tientallen centimeters sneeuw vallen, komen ze in beweging.

Zo'n situatie deed zich enkele winters geleden voor. In het oosten van Duitsland, waar grote aantallen overwinteren, viel een halve meter sneeuw. Aflezingen van vogels die met halsbanden waren uitgerust, brachten aan het licht dat een deel zijn heil zocht in Nederland.

Het zorgvuldig scannen van groepen rietganzen kan dus lonend zijn. Niet alleen vanwege de gele halsbanden (natuurlijk zulke aflezingen wel doorgeven op geese.org).

Het langdurig observeren van groepen levert namelijk ook informatie over het broedsucces: zijn er veel of weinig jonge vogels? Voorlopig lijkt het erop dat er weinig jonge vogels zijn, 10-15% slechts. Net als bij de Kolgans komen dus relatief weinig Toendraietganzen met jongen terug uit de broedgebieden. De redenen zijn nog duister.