Spreeuw, baltsend paartje. Foto: Harvey van Diek.

Spreeuwen toen en nu

Spreeuwen behoren tot de beter onderzochte vogelsoorten, al wil dat bepaald niet zeggen dat we alles al weten. Maar het is aardig om te zien hoe lang er al onderzoek wordt verricht, ook in ons land.

Oud proefschrift
Zo promoveerde Huijb Kluijver in 1933 op een proefschrift met de bescheiden titel 'Bijdrage tot de biologie en ecologie van den Spreeuw gedurende zijn voortplantingstijd'. Hij werkte bij de Plantenziektenkundige Dienst in Wageningen, waar op dat moment (nog) het idee heerste dat insectenplagen bestreden kunnen worden door het vermeerderen van insectenetende vogels - lees: door het ophangen van nestkasten voor mezen enzovoort.

Regionale verschillen en meer
Een van de bevindingen van Kluijver was dat er grote regionale verschillen bestaan in het broedbegin van Spreeuwen. Tussen de vroegst leggende vogels in Limburg en de laatst beginnende op Texel zaten meer dan twee weken. De steekproef was wel aan de kleine kant. Maar ook bij een enquête in 1961 werden flinke regionale verschillen gevonden. Voorts ontdekte hij dat de jongen in kleine nesten (twee jongen) aanzienlijk zwaarder van gewicht waren bij het uitvliegen dan jongen in grote nesten (zes jongen). Wat zich na het uitvliegen vertaalde in verschillende sterftecijfers: de kans om binnen twee maanden dood te gaan was bij jongen uit grote nesten twee maal zo hoog als bij kleine nesten.

En nu?
Het maakt nieuwsgierig naar hoe het nu is. Zouden die regionale verschillen nog bestaan in het moderne Nederland, met zijn steeds meer op elkaar lijkende landschappen en vogelgemeenschappen? En hoe groot zijn de legsels tegenwoordig eigenlijk, hetzelfde nog als in de jaren dertig? Daar zijn we snel genoeg achter in het Jaar van de Spreeuw. Er wordt immers volop onderzoek gedaan aan broedende Spreeuwen, waarbij nesten al dan niet met camera's gevolgd worden. Het wordt een spannend seizoen...