Sprinkhaanzangers zingen zelden open en bloot. Foto: Albert de Jong

Snorrende snor of ratelende Sprinkhaanzanger?

Ze zingen bijna hetzelfde en lijken ook een beetje op elkaar: de Snor en de Sprinkhaanzanger.  Dit grijsbruine duo is sinds enkele weken weer in Nederland te horen. In uitgestrekte, overjarige rietvelden komt de schaarse Snor voor, terwijl de Sprinkhaanzanger minder hoge eisen stelt. Voor iedere vogelaar is het altijd weer even oefenen om ze uit elkaar te houden. Tijd om de verschillen op een rij te zetten.

De eerste Snorren arriveren eind maart al in ons land.  Overjarige rietvelden zijn de favoriete plek van deze soort. Ze zijn daarbij een stuk kieskeuriger dan de Sprinkhaanzanger. Liefst zoeken ze grote stukken waterriet van zeker 8-10 jaar oud met veel oud plantenmateriaal op de bodem. In bijvoorbeeld de Biesbosch, de Wieden en langs de Randmeren loop je de kans om een monotoon, laag gesnor te horen.  Snorren zingen lager dan Sprinkhaanzangers en de opeenvolging van de noten is nog sneller. Als je de zang hoort, is het zinvol om de rietstengels even af te zoeken. Zie je een egaalbruine vogel met een afgeronde staart, dan heb je beet.

Sprinkhaanzanger ratelt

In de tweede helft van april komen Sprinkhaanzangers aan. Omdat de Sprinkhaanzanger minder hoge eisen stelt aan het broedgebied, is de soort een stuk algemener in Nederland. Open landschap met een dichte kruidenvegetatie en her en der een struikje is voldoende. Langs rivieroevers en in de duinen kunnen de aantallen aardig oplopen. De Sprinkhaanzanger zingt een stukje hoger dan de Snor en heeft een duidelijkere ratel: de noten volgen elkaar minder snel op. Daardoor klinkt de zang wat metaalachtig, ‘als een op hol geslagen wekker’, zo omschrijft collega Harvey van Diek het.

Sprinkhaanzangers blijven meestal in de vegetatie verscholen en laten zich maar lastig zien. Let op een bruingrijze zangvogel met zwarte streepjes op de rug en onderstaart.  Heel af en toe klimt er zo eentje omhoog in een lage stengel in de ochtendgloren.

Thuis oefenen

De verschillen kun je natuurlijk netjes opschrijven, maar het komt vooral op luisteren aan. Het liefst in het veld, waar de subtiele verschillen het beste te oefenen zijn. Maar het kan ook thuis, met behulp van goede geluidsopnamen. Oefen beide soorten op Thuis in het veld. Wil je ze door elkaar horen? Dan is deze opname wel aardig.