Kool- en Pimpelmees in conflict. Schoorl, 20 februari 2012. Foto: Otte Zijlstra (waarneming.nl)

Puzzelen aan Kool- en Pimpelmees

Kool- en Pimpelmees behoren tot de talrijkste broedvogels van ons land. Getalsmatig ging het ze lang voor de wind. De aantallen Koolmezen nemen echter de laatste tien jaar in bossen af, die van Pimpelmezen groeien alleen nog in bebouwd gebied en boerenland. Hoe dan ook lijkt de lange periode waarin de populaties alleen maar fors toenamen voor beide soorten wel voorbij. Wat bepaalt eigenlijk hun aantallen?

In het nieuwe broedvogelrapport probeert Hans Schekkerman wat van de puzzel op te lossen. Daarbij komen door vrijwilligers verzamelde gegevens (Nestkaartenproject, Constant Effort Site project) goed van pas.

Verschillen in overleving en broedsucces

Koolmezen blijken de winter wat beter te overleven dan Pimpelmezen. Dat wordt echter gecompenseerd doordat Pimpels per broedpoging 30% meer jongen produceren. Ze hebben gemiddeld grotere legsels, die ook iets vaker succesvol zijn (tenminste één uitvliegend jong). Dat ze iets minder vaak aan een tweede broedsel beginnen, tikt niet door.

Vroeger broeden een probleem?

De datum waarop het eerste ei wordt gelegd, valt steeds vroeger. Vergeleken met 1990 gaat het tegenwoordig om een verschil van gemiddeld 6,1 (Pimpelmees) tot 6,5 (Koolmees) dagen. Een belangrijk gegeven, aangezien jonge mezen vooral met rupsen gevoed worden. Onderzoek op de Veluwe toonde aan dat de rupsenpiek nog sterker vervroegd is dan de legdatum. Een toenemend aandeel mezen broedt er 'te laat'. Landelijk gezien lijkt de reproductie echter (nog) niet te lijden onder de vervroeging. Bedenk daarbij dat de rupsenpiek op de arme zandgronden van de Veluwe een andere ritmiek kan hebben dan elders in het land.

Jaarfluctuaties en beukennootjes

De stand van beide soorten kent jaarfluctuaties die grotendeels synchroon lopen; kijk maar op de soortpagina's van Koolmees en Pimpelmees. De hoeveelheid beukennootjes in herfst en winter is daarbij een bepalende factor. Als er veel of juist weinig beukennootjes zijn - iets dat overal in het land in dezelfde mate optreedt - lijdt dat tot een relatief goede dan wel slechte overleving van vooral jonge mezen, in het bijzonder bij de Koolmees.

Winterkou minder belangrijk

Het effect van winterkou op de overleving van de mezen is minder groot dan dat van de aan- of afwezigheid van beukennootjes. Waarbij moet worden aangetekend dat we echt strenge winters al een jaar of 20 niet meer hebben meegemaakt; de enkele wat koudere recente winters verdienen niet het predikaat 'streng'.

Misschien de regen?

Het lijkt erop dat de neerslag in het voorjaar enige invloed uitoefent op de overleving van jonge mezen. Vermoedelijk is er in droge voorjaren onvoldoende voedsel voor ze aanwezig. Statistisch gezien is dit echter nog niet helemaal 'hard'. Er valt nog genoeg te onderzoeken (en te puzzelen) aan beide mezen. Tellers, nestkastcontroleurs en ringers: doe je best (en hartelijke dank voor je inzet).

Meer lezen

Het broedvogelrapport 2014 staat bol van de informatie. Je kunt het hier bekijken.