Noordse Stern. Weurt bij Nijmegen, 28 april 2009. Foto: Harvey van Diek

Noordse Sterns, in het voorjaar ook door binnenland

De Noordse Stern is een echte kustvogel die je in de broedtijd zelden ver van zout water zult aantreffen. Waarnemingen in het binnenland blijven grotendeels beperkt tot het voorjaar, onder vaak miserabele weersomstandigheden.

De meeste trek van deze soort, die vooral in Noord-Europa broedt, vindt plaats langs de kust. De voorjaarstrek begint momenteel, eind april, op stoom te komen (zie de grafiek gebaseerd op systematische trektellingen).

Noordse Dieven langs de kust

Het onderscheiden van ver weg vliegende sterns is zelfs voor ervaren zeetrektellers niet eenvoudig. Vandaar de verzamelnaam 'Noordse Dief' voor vogels die ofwel Noordse Stern ofwel Visdief waren, maar niet met zekerheid onderscheiden werden. Onder gunstige omstandigheden zijn de vogels beter te herkennen. Op topdagen trekken er enkele duizenden Noordse Sterns langs. Maximum in de database van www.trektellen.nl is 6539 ex. langs Camperduin op 7 mei 2014.

Zeldzaam in binnenland

In het binnenland is de Noordse Stern een schaarse verschijning. De meeste worden gezien tijdens de voorjaarstrek eind april/begin mei, doorgaans onder rottige weersomstandigheden: tegenwind, bewolking, regen. Dit dwingt de trekkers blijkbaar om lager te vliegen en uit te kijken naar geschikte foerageerplekken. Plassen waar zich al Visdieven ophouden (veelal lokale broedvogels) hebben grote aantrekkingskracht.

'Vaste' plekken

In het diepe binnenland liggen enkele min of meer vaste plekken waar Noordse Sterns bijna jaarlijks gezien worden, zoals langs de IJssel bij Deventer, de Waal bij Nijmegen, de Maas bij Cuijk en in Midden-Limburg, en de vennen bij Budel. Dat patroon begint zich ook dit jaar weer af te tekenen (kaart in waarneming.nl).

Determinatie

In het binnenland zijn de vogels vaak van redelijk dichtbij te bekijken. Wanneer ze tussen de Visdieven vliegen, vallen de verschillen al snel op. Noordse Sterns vliegen eleganter, hebben een kortere (donkere) snavel, langere staartpennen, doorschijnende handpennen, enzovoort. Toch is het min of meer regelmatige optreden in het binnenland - onder de beschreven 'gunstige' omstandigheden - pas enkele tientallen jaren bekend.

Soort in mineur

Als broedvogel doet de soort het niet goed in Nederland. De kolonies, bijna allemaal in het Waddengebied gelegen, lopen al jarenlang in aantal terug (kijk op de soortpagina onder Aantalsontwikkeling). Dat komt deels door aanhoudend slechte broedresultaten, maar het vormt ook onderdeel van een neergaande trend aan de zuidrand van zijn Europese verspreidingsgebied. De landelijke stand is sinds de jaren negentig ruim gehalveerd. In recente jaren broeden er rond 900 paren in ons land.