De eekhoorn is tussen 1996-2018 matig afgenomen | Foto: Harvey van Diek

Meetprogramma Dagactieve Zoogdieren uitgebreid met MUS

Afgelopen jaar hebben we het meetprogramma Dagactieve Zoogdieren flink kunnen uitbreiden met de zoogdiergegevens die via het Meetprogramma Urbane Soorten (MUS) worden verzameld en door Sovon beschikbaar worden gesteld. Binnen MUS is het vanaf 2009 mogelijk om structureel zoogdierwaarnemingen door te geven. Dat heeft een toename in het aantal plots veroorzaakt van ongeveer 30 tot 50%.

 

Door: Vilmar Dijkstra (Zoogdiervereniging) & Tom van der Meij (CBS)

 

Deze uitbreiding zorgt ervoor dat de trends en indexen van soorten die in het stedelijke gebied worden aangetroffen meer robuust worden. Zo neemt het aantal telgebieden in de stedelijke omgeving waar konijnen zijn waargenomen met bijna een factor 13 toe en is de standaardfout met ruim een factor 2,5 afgenomen. In de periode 1994-2018 werden vanuit 3309 telgebieden over één of meerdere jaren gegevens over zoogdieren ingestuurd (waarvan 525 vanuit MUS). Het aantal telgebieden waarvan zoogdiertellingen wordt doorgegeven (via BMP én MUS), lag in de periode 2011-2014 rond de 800 per jaar, maar neemt bij BMP na 2014 sterk toe (figuur 1).

Figuur 1. Aantal telgebieden vanuit de meetprogramma’s Broedvogel Monitoring Project (BMP)
en Meetprogramma Urbane Soorten (MUS), waarvan over de periode 1994-2018 gegevens zijn
binnengekomen.

 

Met de toevoeging van de MUS-tellingen is de verdeling van de telgebieden over Nederland een stuk uitgebreider geworden (figuur 2), maar er blijven wel verschillen in dichtheid. De vastelandsduinen en de zuidelijke rand van de Veluwe zijn bijvoorbeeld veel dichter bemonsterd dan Noordwest Friesland, het noordoosten van Noord-Holland, Noord-Oost-Polder, Twente en het Groene Hart. Meer meetpunten in de laatste regio’s zijn daarom welkom.

Figuur 2. Ligging van de telgebieden waarvan zoogdiergegevens zijn ontvangen
over de periode 1994-2018 (zwart bolletje alleen gegevens van vóór 2010,
rood bolletje gegevens vanaf 2010).

 

Onderstaand volgen de indexen en trends van eekhoorn en egel. Twee soorten die veel in het stedelijk milieu worden waargenomen en waarvan de uitkomsten dankzij de uitbreiding met MUS robuuster zijn geworden.

Eekhoorn

De populatie van de eekhoorn is in Nederland over de periode 1996-2018 matig afgenomen (figuur 3, n=720). Figuur 4 geeft de trends in een aantal gebieden waar eekhoorns voorkomen.

Er is nog steeds een opvallend verschil in de trends in loof- en naaldbos. In loofbos is de populatie stabiel, maar in naaldbos is net als de landelijke trend sprake van een matige afname. De laatste tien jaar is er in naaldbos zelfs sprake van een sterke afname. In de meeste provincies is de trend over de gehele periode onzeker. In Gelderland, Noord-Holland en Limburg is de populatie stabiel. In Zuid-Holland en Noord-Brabant neemt de populatie matig af. Afgelopen jaren zijn er vaker dan gemiddeld goede zaadjaren van eik en/of beuk geweest. Het is zorgwekkend dat de eekhoorn daarvan niet heeft kunnen profiteren.

Figuur 3. Indexen van de aantalsontwikkeling van de eekhoorn in Nederland in
de periode 1996-2018 (bron: ZV/CBS).

 

Figuur 4. Trend van eekhoorn in de periode 1996-2018 in Nederland, de provincies,
fysisch-geografische regio’s en begroeiingstypen. Weergegeven zijn de richtingscoëfficiënt
van de trendlijn en de 95% betrouwbaarheidsinterval.

 

Voor onderzoek naar ziekten bij eekhoorns zijn we nog steeds op zoek naar verse dode eekhoorns. Daarom hier nog eens de oproep om verse dode eekhoorns die niet langs de weg liggen aan te melden bij het Dutch Wildlife Health Centre (DWHC). Dit kan via www.dwhc.nl. Daarbij is het van groot belang dat dieren binnen 24 uur na overlijden veilig gesteld worden om onderzoek naar ziekten uit te kunnen voeren. Na melding neemt het DWHC contact op met de melder om te kunnen beslissen of het dier in aanmerking komt voor onderzoek en er eventueel een koerier ingeschakeld wordt om het dier op te halen. Te onderzoeken dieren mogen niet ingevroren worden, wel mag er gekoeld worden.

Egel

De trend van de egelpopulatie laat over de periode 1994-2018 een matig afnemende populatie zien (figuur 5, n=320). Vorig jaar was deze nog stabiel, maar toen liet de trend over de laatste 10 jaar al een afname zien. In Drenthe is er zelfs sprake van een sterke afname, al is de standaardfout aan de hoge kant (0,043). In de andere provincies is de trend onzeker. Het aantal telgebieden waar egels worden gemeld is per provincie dan ook klein. De extreme droogte in de zomer van 2018 kan in veel (droogtegevoelige) gebieden problematisch zijn geweest voor een succesvolle voortplanting. We zijn daarom benieuwd wat de trend over de periode 1994-2019 gaat opleveren.

Figuur 5. Index van de aantalsontwikkeling van de egel in Nederland in de periode 1994-2018 (bron: ZV/CBS).

 

Aankomende nieuwsbrieven zullen we de andere soorten de revue laten passeren. We hopen dat jullie allemaal ook dit seizoen de zoogdiergegevens blijven invoeren. Mocht je nog niet meedoen, dan willen we je vriendelijk verzoeken om ook de zoogdiergegevens door te gaan geven. Bepaalde soorten zoogdieren, zoals konijn, zijn tenslotte ook van belang om trends bij vogels te kunnen duiden.