Net als ganzen leggen Bergeenden soms kilometers af met hun pullen. Ze hoeven dus niet per se dichtbij gebroed te hebben. Foto: Albert de Jong

Ineens zijn ze er: jonge Bergeenden

Ineens zijn ze er: jonge Bergeenden, die op het open water ronddobberen. Begin juni is dé tijd om ze tegen te komen. Voor broedvogeltellers komen ze soms als een totale verrassing. Hebben die Bergeenden hier dan toch gebroed?

De broedbiologie van de Bergeend is wat schimmig. Paartjes die je vroeg in het voorjaar tegenkomt, zijn soms een tijd uit zicht, om vervolgens eind mei of in juni weer op te duiken. Al dan niet met jongen. Daarnaast kunnen er, zeker in het rivierengebied, laat in het voorjaar groepjes Bergeenden opduiken die niet lijken te broeden. Slechts een kwart tot de helft van de paartjes Bergeenden komt daadwerkelijk tot broeden. De rest van de vogels slaat waarschijnlijk een jaar over of is nog te jong om te broeden. Bij langlevende soorten als de Bergeend is dat niet zo'n probleem voor de populatie.

Goed kijken

Tellers krabben zich soms flink achter de oren over deze situatie. Welk onderscheid maak je? Met name in de maand mei is belangrijk om goed te kijken wat de Bergeenden uitspoken. Staat er ergens een waakzaam mannetje, of zie je een vrouwtje dat stiekem een mogelijke nestplek verlaat en met het mannetje wegloopt of wegvliegt? Dat zijn waarnemingen die duiden op broeden en een hoge broedcode krijgen (6,10,15, of 16 bijvoorbeeld). Niet broedende paren scholen vaak samen in groepjes en verblijven de meeste tijd op het open water of op bouwland. Die krijgen een lage broedcode, hooguit 3.