Gedicht over de Wulp van Gary Liggett

Eerste kwartier
 

Ik zou een lied over mijzelf kunnen schrijven,

het verhaal van mijn reizen en hoe zwaar de dagen soms waren”

De Zeevaarder, auteur onbekend*

 

 

Soms ruikt de hei naar schapen, schaap en veen -
         of is het de striemende wind die

al eeuwenlang de geur van schaap

         door deze nauwe dalen jaagt?

 

De heide ruikt naar rook, of is het

        de rook die naar heide ruikt?

Of is het de wind zelf  

          die deze uit een andere vallei meedroeg

                                en nu die turfgeur uitademt?

 

 

Maar de schapen zijn uitgeweken naar hogere grond.

 

 

Soms rollen wolken de nieuwe maan over deze kale heuvels

          half strogeel, half onzichtbaar.

          Dat is de tijd dat de wulpen arriveren

                     onder een nachtelijke deken

             van door wind verstrooide wolken.

 

Lente in deze noordelijke heuvels

zo traag dat het bijna herfst lijkt –

stroompjes sijpelen door verlaten mijnen –

wulpgekleurde grassen, knikkende kopjes

                         hopend op veiligheid.

Soms steelt een vos haar eieren,

      een das de kuikens –

           zoveel dood in het leven.

 

Bij dageraad de eerste roep –

Koer-líe! Koer-líe!   Koerlie koerlie koerlie!

      Meer bezoekers kondigen hun komst aan

       ze vliegen in vanaf de kust.

Een hek opent naar nergens –

        nu nog slechts twee steunen.

Overhellend naar het blonde gras, staan ze verlaten op de helling –

    een baken voor wulpen, erfenis van vroeger.

 

 

Dit is een verhaal over instinct, niet over routekaarten.

 

    

     Met haar kromme naald-snavel weeft ze een nest

         veegt restanten van zomers hooiland op een bed van mos.

         Wervelt rond tot het goed is.

 

Plots glijdt een wilde kat

door het maanverlichte gras –

     Zeggehoofdjes wiegen een woordloos alarm –

ze heft haar kop op, klaar om uit te halen,

           haar snavel een kromsabel

                 de wind draagt de geur des doods.

Ze kijken elkaar aan in dit niemandsland

           tussen de ogen slaat ze toe -

de kat trekt zich terug in de nacht.

 

Weken later, in het legsel van drie gevlekte eieren –

     pikken kuikens zich een weg van hun wereld naar deze.

 

            Omzichtig en stil gebarend

                       verlaat ze het nest –

                             hij voedt hun pluizige broed op

                                  tot vliegvlug.

 

Winter treedt snel in langs deze kust

    en brengt monochroom licht.
 

Soms ruikt de zee zilt, naar zout en nieuw

           of zijn het de wulpen

                die dit nieuwe

vanaf de heuvels meedroegen?

 

Ver weg, tegen de vloedlijn
      foerageren ze met hun snavels als rietjes

   ieder spoor weer weggewassen

    door de rimpels in het water –
       de essentie van Wulp in hun kielzog.

 

    

Gary Liggett

Cumbria, afnemende maan in Steenbok, 2019 
 
 
*De Zeevaarder is een Angelsaksisch gedicht uit 975 AD. Hierin wordt voor het eerst gewag gemaakt van wulpen in het Engelse landschap.