Ransuilen. Foto: Harvey van Diek

Eerste atlasresultaat: Ransuil in de mineur

Het eerste veldjaar van het atlasproject ligt inmiddels achter ons. Het was een eerste jaar met verschillende gezichten. De wintertellingen waren soms lastig uit te voeren vanwege het slechte weer en het voorjaar kwam pas heel laat op gang.

Door Jouke Altenburg & Harvey van Diek, Atlasteam

Sommige tellers vonden het meer werk dan gedacht. In tweetallen of groepjes tellen blijkt voor menigeen een uitkomst. Over het algemeen is men tevreden over de methodiek en de soepele online invoermogelijkheden.

Onder 'Resultaten' op de atlassite zijn van alle ruim 300 soorten online kaarten beschikbaar,  waarop de eerste nog niet gecontroleerde gegevens zichtbaar zijn. Neem gerust een kijkje. Helemaal leuk om de eerste gegevens te vergelijken met de ‘oude’ atlassen.

Ransuil in de mineur

Een van de soorten die, op basis van de eerste tellingen, een flinke veer lijkt te laten is de Ransuil. Deze nachtactieve soort staat (pas) sinds 2004 op de Rode lijst en lijkt in een vrije val geraakt. Dit voorjaar werden opvallend weinig Ransuilen op de atlasformulieren genoteerd getuige de grijze blokken (wel gezocht, niet gevonden) op de verspreidingskaart.

Lastig inventariseren

Hierbij moet wel gezegd worden dat deze nachtbraker zich lastig laat inventariseren. De roep is zacht, wordt onregelmatig voortgebracht en Ransuilen reageren niet of nauwelijks op het afdraaien van het geluid. Bovendien mislukt zeker een derde van de broedgevallen, zodat het tellen van roepende jongen tot onderschatting van het aantal broedparen leidt (van Manen 2000, in de Broedvogelatlas 2002).

Uiteraard is het van belang om ook deze soort de komende atlasjaren zo goed mogelijk geteld te krijgen. We roepen dan ook iedereen op om ook losse waarnemingen van Ransuilen door te geven, waarbij ’s winters slaapplaatsen interessant zijn. Immers, op de slaapplaatsen verzamelen zich een groot deel van het jaar exemplaren uit de (wijde) omgeving. Vind je ergens een Ransuilslaapplaats, geef die dan altijd door, ook al denk je dat deze al bekend is.

Onderstaande drie kaarten tonen  de broedvogelaantallen uit de verschillende atlasperioden.

In  de Atlas van de Nederlandse Broedvogels (1973-1977) is per atlasblok aangegeven of de soort er voorkomt en welke zekerheid omtrent broeden werd verkregen.
De tweede Atlas van de Nederlandse Broedvogels (1998-2000) geeft per atlasblok van 5x5 km  een schatting van het aantal broedparen.
De derde kaart is gebaseerd op voorlopige, dat wil zeggen onvolledige en nog niet gecontroleerde broedvogelgegevens uit 2013. De kaart geeft geen werkelijke of absolute aantallen weer, maar alleen getelde aantallen op basis van steekproefonderzoek. Op basis hiervan krijgen we een eerste indruk waar in Nederland relatief hoge of juist lage aantallen van een soort aanwezig zijn.

 

Landelijke dekking

In het eerste atlasjaar is ca. 30% van Nederland goed geteld. Daar willen we in het tweede veldjaar een boost aan geven. Op naar de 70% dekking!

Daarom de oproep aan iedereen om voor de resterende jaren een atlasblok te claimen en te gaan tellen. Dit mag een volledig atlasblok zijn, maar alleen het broedvogeldeel of het wintervogeldeel tellen is ook mogelijk. Ook losse km-hoktellingen, waar dan ook in Nederland, zijn van harte welkom.

Contact

Harvey van Diek, harvey.vandiek@sovon.nl
Jouke Altenburg, jouke.altenburg@sovon.nl