Tom Loorij: de actieve man achter het grote aantal stadsvogeltellers in regio Den Haag (foto: Loes Loorij)

In de ban van Haagse stadsvogels: Tom Loorij

In de Haagse regio is Tom Loorij een bekende voor de tellers die er voor Sovon stadsvogels tellen. Dit gebeurt binnen MUS (Meestnet Urbane Soorten). Sovon interviewde hem, het enthousiasme druipt er vanaf! Tom roept anderen op om ook mee te tellen met MUS en moedigt ervaren MUS-tellers aan om coördinator te worden in de regio.

Tom stelt zichzelf voor

'Ik ben Tom Loorij, woon in Voorburg en word in 2018 70 jaar. Ik ben sinds 1974 actief in de Haagse Vogelbescherming (HVB), die als werkgebied Den Haag en randgemeenten heeft. De HVB heeft ca. 1.000 leden en organiseert van alles. Voor Sovon worden jaarlijks zoveel mogelijk groengebieden in en rond de stad geteld volgens de BMP-methode. En daarnaast wordt de vogelbevolking bijgehouden in 12 vogelrustgebieden, afgesloten kleine reservaatjes in het groen.'

Wat doe je aan werkzaamheden als regio-coördinator voor het MUS-project in de Haagse regio?

'In 2010, toen het MUS-project al 3 jaar liep, viel mij op dat onze ‘telgroep’ ondanks dat ik het had aangekaart, het MUS-project nauwelijks had opgepakt. En dat als echte stadsvogelvereniging! Ik heb toen zelf het heft in handen genomen en met Bram Aarts (de voorganger van Jan Schoppers) overlegd. Er bleken maar 10 tellers actief te zijn in de regio, de meesten niet eens lid van de HVB. Ik ben toen actief tellers gaan werven binnen de vereniging. Dat leverde in 2010 al meteen 35 getelde postcodegebieden op. In de jaren daarna bleef ik werven en in 2018 heb ik voor 63 (van de in totaal 81 aanwezige) postcodegebieden tellers geworven.

Ik stuur de tellers aan, beantwoord vragen en controleer de ingevoerde gegevens op correctheid en compleetheid. Over onduidelijkheden doe ik navraag. Van de uitkomsten maak ik jaarlijks een uitgebreid verslag met diverse tabellen, waarbij ik gebruikmaak van de statistische kennis die ik bij het Centraal Bureau voor de Statistiek heb opgedaan. Dit rapport wordt afzonderlijk op de website van de HVB gezet, maar maakt ook deel uit van het integrale Inventarisatierapport van de HVB.'

Wat motiveert jou om MUS in jouw omgeving te coördineren?

'Door mijn slechthorendheid hoor ik de meeste vogels niet meer. Ik ben daarom ongeschikt om zelf tellingen uit te voeren. Maar in uitstapjes en op vakanties vormt vogels kijken altijd een belangrijk onderdeel. Mijn vrouw vervangt dan mijn oren. Daarom vind ik het zo fijn dat ik mij via die coördinatie van MUS-tellingen, waar alleen papier en email voor nodig zijn, toch nuttig kan maken voor het tellen van vogels. De mogelijkheid om hierdoor goede inventarisatiegegevens te krijgen van de echte stadsvogels, en het feit dat sommige tellers ook verder in de club actief worden, maken me enthousiast.'

Wat wil je graag zeggen tegen mensen die ook voor MUS willen gaan tellen, maar nog een beetje twijfelen?

'Absoluut meedoen! Wees niet bang dat je een bepaalde soort niet herkent. De meest algemene, en meestal ook grote, soorten ken je in ieder geval. Van zeldzame pietjes die in de stad nauwelijks voorkomen kan Sovon toch geen trendanalyse maken via MUS. Wanneer je als beginneling vogels wilt gaan tellen dan is het MUS-project de allerbeste instap. Het kost van alle telprojecten veruit de minste tijd en is het eenvoudigst uit te voeren.'

Wat zag jij veranderen de afgelopen jaren in de vogelstand bij Den Haag?

'De Haagse vogelbevolking is redelijk stabiel. Kauw, Houtduif en Gierzwaluw zijn in wisselende volgorde alle jaren de meest getelde soorten. Opvallend is de enorme toename van Zilvermeeuw en nog meer van de Kleine Mantelmeeuw.  Ook worden er steeds meer Canadese Ganzen geteld. Wat de tellingen ook interessant maakt, is dat de Haagse situatie sterk afwijkt van de landelijke uitkomsten van MUS.'

Hoe denk je over meer MUS-coördinatoren in andere regio’s?

'Zo’n coördinator is vooral interessant en belangrijk bij die vogelwerkgroepen die in het stedelijk gebied actief zijn. In alle grote en middelgrote steden zou dat eigenlijk een must moeten zijn. Sovon zou veel meer richting dergelijke vogelwerkgroepen moeten proberen of die zo’n iemand uit eigen gelederen kunnen rekruteren op dezelfde basis als ik. Sterk argument daarbij is dat men dan goede en meer informatie krijgt over met name de stadsvogels is hun werkgebied, waar het nogal eens aan wil ontbreken.'

Wat wil je tegen mensen zeggen die met het idee spelen om ook MUS-regio-coördinator te worden?

'Je moet er wel wat tijd in willen steken. En belangrijk is dat je niet alleen mensen kunt enthousiasmeren om mee te doen met MUS, maar ook dat je er iets tegenover kan stellen, bijvoorbeeld een rapport met de uitkomsten. Dat behoeft niet zo uitvoerig te zijn, maar een tabel met totalen en per postcodegebied (zodat de tellers ook hun eigen gebied kunnen vergelijken met andere gebieden) kost echt niet veel tijd. Belangrijk is ook de terugkoppeling met de tellers. Je kan tellers gemotiveerd houden door hun als dank voor hun tellingen dat rapport toe te zenden. Dat wordt door iedereen op prijs gesteld. Benadruk ook dat men vooral plezier moet hebben in het tellen en het niet ontaardt in een soort verplichting.  Een goede en regelmatige communicatie met je tellers is erg belangrijk.'

Denk je er over na om MUS-coördinator te worden of weet jij een geschikt iemand in jouw vogelwerkgroep? Neem dan contact op met Jan Schoppers, meetnetcoördinator Meetnet Urbane Soorten.