Toen en nu: opvallende trends

Vogels tellen verveelt nooit. Niets zo veranderlijk als vogelaantallen! Soorten die eerst zeldzaam waren verbazen je door onverwacht in aantal toe te nemen, en soorten waarvan je dacht dat ze de wind mee hadden blijken terrein te verliezen.

Het is ondoenlijk om hier alle vogeltrends van de afgelopen decennia samen te vatten. De opvallendste trends onder broedvogels staan hier. Overwinterende watervogels komen een volgende keer in de schijnwerpers. Lees ook de monitoringrapporten via de site. Hier enkele soorten uitgelicht.

Kramsvogel: pijlsnelle opkomst en neergang

Kramsvogel | Fotograaf Harvey van Diek
Kramsvogel|Fotograaf: Harvey van Diek

De Kramsvogel stond bekend als een incidentele broedvogel ten tijde van het eerste atlasproject, midden jaren zeventig. Dat bracht een kleine sensatie aan het licht: de Kramsvogel was zich aan het vestigen in Zuid-Limburg!

Achteraf gezien niet onverwacht, want deze lijster breidde zijn Europese broedgebied al lange tijd in westwaartse richting uit. Met een snel groeiende vestiging in de oostelijke Ardennen vanaf eind jaren zestig, was Zuid-Limburg een logische volgende stap in het kolonisatieproces.

In de jaren tachtig ging het hard. De Kramsvogel nestelde zich in andere delen van het land, zoals de Achterhoek en het oostelijk Rivierengebied. Rond 1986 omvatte de landelijke stand zo’n 800 paren, met lokaal kolonies tot 25 paren.

Niets leek een verdere opmars in de weg te staan. Het Nederlandse landschap, met zijn vaak gemaaide of intensief begraasde graslanden was immers een onuitputtelijke voedselbron en nestgelegenheid in overvloed in de vorm van singels en bosjes.

Maar de realiteit was anders. In de jaren negentig kwam de klad erin en daarna ging het even hard bergafwaarts als eerder omhoog. Als er momenteel nog een twintigtal paartjes Kramsvogels in ons land nestelen, vinden we dat al heel wat. En het meest bizarre van alles: de redenen van de afname zijn voor ons eigenlijk even onduidelijk als die voor de eerdere toename.

Bonte Kraai: van algemeen tot zeldzaam

Bonte Kraai | Fotograaf Piet Munsterman, Saxifraga
Bonte Kraai|Piet Munsterman, Saxifraga

Dagen met 1700 trekkende Bonte Kraaien over het strand (Noordwijk 22 oktober 1918), slaapplaatsen met 4500 Bonte Kraaien (Dwingeloo, jaren zeventig)…onvoorstelbare aantallen voor huidige vogelaars. Want tegenwoordig moeten die veel moeite doen om de Bonte Kraai op de jaarlijst te krijgen. In binnenlandse provincies verschijnt alleen zo nu en dan nog een enkele Bonte Kraai, en zelfs in het noordoosten van het land – tot voor kort verreweg de beste plek – is deze soort momenteel bijzonder schaars. Gegevens van het PTT-project wijzen op een afname van meer dan 95% sinds 1990. Nog even en de Bonte Kraai is een CDNA-soort…

De huidige schaarse vormt het sluitstuk van een afname die al meer dan een halve eeuw bekend is. De afname bij ons is een gevolg van veranderd trekgedrag bij Fenno-Scandinavische vogels. Door toegenomen voedselbeschikbaarheid (mede dankzij zachtere winters) blijven Bonte Kraaien meer in Noord-Europa hangen. Zo nam bij Finse Bonte Kraaien zowel het aandeel wegtrekkers in de populatie af als de gemiddelde afstand waarover ze wegtrokken. Toegenomen concurrentie in de West-Europese overwinteringsgebieden met de daar sterk in aantal vermeerderde Zwarte Kraaien vormt een aanvullende factor (zie het artikel van Zijlstra).

Grote Zilverreiger: van dwaalgast tot bekende verschijning

Zilverreigers | Fotograaf Ran Schols
Zilverreigers | Fotograaf Ran Schols

Boeren, burgers en buitenlui: ze kennen allemaal de ‘witte reiger’. Want in het Nederlandse landschap anno nu is het een bekende en opvallende verschijning.

Betrekkelijk kort geleden lag dat nog anders. Een groot deel van de 20e eeuw was de Grote Zilverreiger een echte dwaalgast. Hij werd pas vanaf 1976 jaarlijks in ons land gezien en ging er, tot verbazing van velen, broeden vanaf 1978. Rond de eeuwwisseling kwam een stroomversnelling.

Tegenwoordig broeden er meestal rond 150 paren in de kolonie van de Oostvaardersplassen, die daarmee een van de grootste in Europa is. Met de uitbreiding als broedvogel elders in Nederland wil het nog niet vlotten, met uitzondering van een kleine kolonie in De Wieden.

Des te verspreider is deze reiger in het winterhalfjaar. Zo verspreid zelfs, dat alleen tellingen op gemeenschappelijke slaapplaatsen duidelijkheid werpen op de aantallen (zie het artikel van Olaf Klaassen). Recent gaat het om meer dan 2000 wintervogels! Ze bestaan uit een mix van ‘eigen’ vogels en zilverreigers uit Oost-Europa (tot in Oekraïne) en Zuid-Europa (Frankrijk).

De toename staat in verband met het ontstaan van nieuwe broedgebieden bij ons (Oostvaardersplassen!) maar vooral ook betere bescherming van kolonies in overig Europa. Wel was het even afwachten hoe onze overwinteraars zouden reageren op koud winterweer. De grote uitbreiding van rond de eeuwwisseling vond immers plaats in een periode met milde winters. Tijdens enkele recente koudere winters bleken Grote Zilverreigers echter goed bestand tegen vorst en sneeuw. Daarmee overtroeven ze de Kleine Zilverreiger, die zich in dezelfde periode in Nederland vestigde maar recent zware klappen opliep tijdens koud winterweer.