Toen en nu: drie opvallende watervogelsoorten

In de loop van tientallen jaren watervogels tellen veranderde veel. De meeste ganzen namen enorm toe, net als sommige eenden. Het beeld voor de steltlopers is wisselender. Een in 2012 verschenen artikel in Limosa geeft een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen tussen 1975 en 2010.

Hieronder belichten we drie soorten met een opvallende geschiedenis.

 

Taigarietgans: van karakteristieke wintergast naar zeldzaamheid

Taigarietganzen | Fotograaf Albert de Jong
Taigarietganzen | Fotograaf Albert de Jong

Tegenwoordig worden Taigarietgans en Toendrarietgans beschouwd als aparte soorten. Lange tijd hield men ze voor ondersoorten van ‘de’ Rietgans.

Hoe het ook zij, ze maakten compleet verschillende ontwikkelingen door. De Toendrarietgans werd in de afgelopen 40 jaar duidelijk talrijker. Vooral wanneer er in de belangrijkste overwinteringsgebieden, in het oosten van Duitsland, een enorm pak sneeuw valt, zoeken veel Toendrarietganzen hun toevlucht in ons land. In zulke winters lopen de aantallen bij ons op tot 300.000 vogels, bijna twee maal zoveel als in extreem zachte winters.

Maar dan de Taigarietgans…Het was in de 20e eeuw lange tijd een bekende verschijning. Bij streng winterweer kon er de klok op gelijk worden gezet: ‘Geelbekken’. Nog in de jaren tachtig verbleven er soms 25.000 Taigarietganzen in ons land. Dat aantal verminderde in de jaren negentig en stortte in na de eeuwwisseling. Tegenwoordig zijn er zelfs in koudere winters amper 200-300 Taigarietganzen in ons land aanwezig.

Ook in voor deze soort veel belangrijker overwinteringsgebieden in het oosten van Duitsland namen de aantallen schrikbarend af. Met recht ‘schrikbarend’, want er zijn geen aanwijzingen dat deze soort verder naar het noordoosten ging overwinteren, zoals bij verschillende andere watervogels het geval is. De afname lijkt dus vooral het gevolg van een echte populatie-afname.

Kopstudie Taigarietgans | Fotograaf Gerard T. Visser
Kopstudie Taigarietgans | Fotograaf Gerard T. Visser

De redenen hiervoor zijn nog niet volledig ontrafeld. Het is echter een veeg teken dat een relatief veel Taigarietganzen hagelkorrels in hun lichaam blijken te hebben. Het wijst erop dat intensieve jacht langs de trekweg in het spel is.

De afname in Nederland is enige tijd niet goed onderkend. Hierbij speelde verwarring met Toendrarietganzen (die heel variabel getekend kunnen zijn en opmerkelijke grootteverschillen vertonen) een rol.  Een artikel in Limosa vat de historische ontwikkelingen en determinatieperikelen samen.

 

Krakeend: al lang geen zeldzaamheid meer

Het boekje ‘ Voorkomen en trek der in Nederland in het wild waargenomen vogelsoorten’ dateert uit 1925. Het is geschreven door G.J. van Oordt en Jan Verwey, destijds nauwelijks te overtreffen qua avifaunistische kennis.

De Krakeend was volgens hen een zeldzame broedvogel, die slechts hier en daar in moerassige streken in Friesland en Zuid-Holland nestelde en incidenteel elders. Hij trok ‘in klein aantal’  in najaar en voorjaar door.

Krakeend man | Fotograaf Harvey van Diek
Krakeend man | Fotograaf Harvey van Diek

Tegenwoordig broeden Krakeenden in grote delen van Nederland; rond het jaar 2000 waren er 6500 broedparen en inmiddels zijn het er nog meer. In juni en juli, na het broeden, verzamelen zich duizenden Krakeenden op gezamenlijke ruiplaatsen zoals in het Lauwersmeer en Haringvliet. In september en oktober komen er nog vele trekkers bij en worden tot 32.000 Krakeenden in ons land geteld. Omdat ze deels buiten de bekende waterrijke gebieden zitten, is het werkelijk aanwezige aantal misschien twee maal zo hoog. De vogels zijn afkomstig uit een gebied dat tot voorbij de Oeral reikt.

De aantallen in de winter zijn lager. Voor een normaliter aan ondiep water gebonden eend is deze soort echter opmerkelijk winterhard. Bij strenge vorst verhuizen veel Krakeenden naar open blijvende wateren, zoals polders met kwelsloten, rivieroevers of de Biesbosch. Andere vogels worden creatief en komen af op afval van bloembollen. Krakeenden kunnen ook opmerkelijk behendig zijn bij het afpikken van door Meerkoeten opgedoken voedsel.

De toename in Nederland is onderdeel van een proces dat in Europa al twee eeuwen aan de gang is. De oorspronkelijke broedgebieden in Oost-Europa leden onder verdroging. Tegelijkertijd werden nieuwe gebieden in West-Europa geschikt door de aanleg van kunstmatige plassen en voedselverrijking van oppervlaktewateren. De uitbundige groei van waterplanten en algen die daarvan het gevolg is, betekent voedsel voor Krakeenden.

 

Grote Zaagbek: zachter winterweer leidt tot noordelijker verspreiding

Grote Zaabekken en stevige vorst, sinds jaar en dag een bekende combinatie. Strenge winters leveren altijd veel meer Grote Zaagbekken op in Nederland dan zachte winters.

Het belangrijkste overwinteringsgebied van deze soort is de Oostzee. Wanneer de veelal ondiepe delen waar Grote Zaagbekken voedsel zoeken dichtvriezen, verkassen ze naar het westen. Veel verder dan Nederland gaan ze doorgaans niet.

Binnen Nederland overwinteren de meeste in het IJsselmeergebied. Vriest dit grotendeels dicht, kan verspreiden ze zich meer over het land. Vooral langs de Grote Rivieren duiken ze dan op. Zo was het altijd, maar is het zo ook in de toekomst?

De laatste tientallen jaren nemen Grote Zaagbekken namelijk af in ons land. Bij strenge vorst zijn ze nog steeds veel talrijker dan bij zacht winterweer, maar de piekaantallen worden wel kleiner. Het heeft deels te maken met afname van Spiering, een belangrijke prooivis, in het IJsselmeergebied. De belangrijkste factor is echter de herverdeling van de winteraantallen binnen Europa.

Grote Zaagbek | Fotograaf Ran Schols
Grote Zaagbek | Fotograaf Ran Schols

Aan de zuidwestrand van het overwinteringsgebied, waaronder Nederland, nemen de aantallen af. Aan de noordoostrand nemen ze juist toe, en alles bijeen blijven de winteraantallen in Europa min of meer gelijk. Door gemiddeld zachtere winters kunnen Grote Zaagbekken noordelijker blijven overwinteren. Rond de Oostzee steeg de gemiddelde wintertemperatuur sinds 1980 met 3,8°C. Dat doorbreekt de noodzaak om ver naar het zuidwesten te vliegen. Sterker nog: binnen de Oostzee verplaatst het zwaartepunt van de verspreiding zich van de Duitse en Poolse baaien naar die van Zweden, Estland en Finland.

Het is een fenomeen dat je bij meer watervogels ziet. Ook Kuifeend en Brilduiker vertonen een tendens om noordelijker te overwinteren, en waarschijnlijk geldt dat ook voor Tafeleend en Nonnetje.

Omgekeerd nemen de winteraantallen van verschillende steltlopers, waaronder Zilverplevier en Rosse Grutto toe. Waarschijnlijk is die toename vooral een gevolg van verplaatsing van vogels die voorheen op de Britse Eilanden overwinterden. Als het overwinteringsgebied nog verder naar het noordoosten opschuift, raken we ze ook weer kwijt.