Toen en nu - Boomvalk, Regenwulp Kleine Bonte Specht

Op de eerste Landelijke Dag in 1980 werd er enthousiast verteld over enkele aansprekende vogelsoorten. Lezingen die de kennis van dat moment een wezenlijke impuls gaven. Wat valt er na al die jaren te melden over de destijds geschetste ontwikkelingen?

Boomvalk en Houtduif in hetzelfde slop?

Rob Bijlsma verhaalde inspirerend over de broedassociatie tussen Boomvalk en Houtduif. Iets dat niet onbekend was – het viel J.P. Thijsse al in 1905 op dat er vaak Houtduiven in de buurt van een boomvalkennest broedden. Maar het fenomeen was amper gedocumenteerd met cijfermateriaal. Kolfje naar de hand van de maestro…

Hij spoorde op de Zuidwest-Veluwe in vier jaar tijd 82 nesten van Boomvalken op. Telkens zocht hij in een straal van 50 meter om het nest naar bouwsels van Houtduiven. Dat waren er 441, die hij allemaal nauwgezet in de gaten hield. Een geweldige steekproef en kenmerkend voor die tijd, waarin Boomvalken karakteristieke bewoners van open bos op de zandgronden waren, en Houtduiven tot de talrijkste bosvogels behoorden.

De dichtheid van Houtduiven rond boomvalkennesten bleek veel hoger dan elders in de bossen. Bovendien stemden ze hun broedproces helemaal af op dat van de Boomvalk (terwijl andere Houtduiven een veel langer broedseizoen kenden). Ze bereikten een veel beter broedresultaat dan duiven die elders nestelden. Dit komt ongetwijfeld doordat de felle Boomvalk mogelijke nestplunderaars zoals kraaien rond zijn eigen horst wegpoetst, zeer tot genoegen van de duiven.

Dit alles is verleden tijd: het broeden van Boomvalken in grote bossen op de zandgronden en ook de talrijkheid van Houtduiven aldaar. De valken zijn verdwenen na jarenlange nestpredatie door Haviken (hersteld van een inzinking in de jaren zestig en zeventig maar in toenemende mate kampend met voedseltekort). De duiven kregen vooral last van veranderingen in de landbouw, zoals efficiëntere oogstmethoden en de vervanging van granen door maïs. Het betekende het einde van bijna onuitputtelijke voedselvoorraden op het hoogtepunt van het broedseizoen van Houtduiven (en Boomvalken), augustus en begin september.

Inmiddels broeden Boomvalken vooral in open landschap en meer in Laag-Nederland dan op de hoge zandgronden. En Houtduiven zijn in veel bossen schaars, maar in de stad veel talrijker dan ooit tevoren.

Boomvalk | Ran Schols

              Boomvalk. Fotograaf Ran Schols

Regenwulpen van de regen in de drup

Het was een sensationele ontdekking in de jaren zeventig: tienduizenden Regenwulpen bleken gebruik van Nederland te maken tijdens de trek van de Afrikaanse overwinteringsgebieden naar de Noord-Europese broedgebieden. Dat was het resultaat van simultaantellingen op gemeenschappelijke slaapplaatsen, georganiseerd door Arend van Dijk.

Regenwulpen waren vooral talrijk tijdens de voorjaarstrek, eind april/begin mei. Tijdens de korte trekpiek werden er tot 32.000 exemplaren geteld op slaapplaatsen in vennen en andere ondiepe plassen. Op sommige vennen ging het om enkele duizenden vogels, die ’s avonds in luidruchtige groepen boven de slaapplaats rondvlogen alvorens massaal in te vallen; een fascinerend gezicht.

De overgrote meerderheid van de Regenwulpen overnachtte in Noord-Brabant en Drenthe met het aansluitende deel van Friesland en Overijssel. Tijdens de terugtrek in juli/augustus waren de aantallen  een stuk lager (tot 9000).

Het fenomeen bleek tijdgebonden, zoals gedocumenteerd door Michiel Versluys en anderen. Eind jaren tachtig en begin jaren negentig verschoof de verspreiding naar Noord-Friesland en de Waddenkust. De aantallen bleven aanvankelijk hoog maar namen vervolgens sterk af. Nieuwe grote slaapplaatsen werden niet meer ontdekt. Momenteel zullen er hooguit enkele duizenden Regenwulpen in Nederland overnachten.

Waarschijnlijk werden de slaapplaatsen te onrustig door toegenomen aantallen predatoren. Zo waren Haviken schaars op de zandgronden in de jaren zeventig, maar kregen ze de wind mee in de jaren tachtig. Later vestigen ze zich ook in de meer open delen van het land, waaronder Noord-Friesland.

Het is onbekend wat het effect in ruimere zin was van het verdwijnen van de grote Nederlandse slaapplaatsen. Zijn er in het buitenland nieuwe plekken in gebruik genomen, slapen de Regenwulpen nu meer verspreid, maken ze grotere sprongen tijdens de trek?

Regenwulp | Harvey van Diek

              Regenwulp. Fotograaf Harvey van Diek

De ‘lastige’ Kleine Bonte Specht

Ten tijde van de eerste Landelijke Dag was de ontwikkeling van inventarisatiemethoden voor broedvogels volop in beweging. Het was langzamerhand wel duidelijk dat het idee, dat je met een paar bezoeken wel alle broedvogels in kaart zou kunnen brengen, niet klopte. Paul Opdam van het Rijksinstituut voor Natuurbeheer vertelde over methodologisch onderzoek.

Door de gegevens uit te werken van veelvuldig gecontroleerde gebieden, bepaalde hij hoe groot de kans is dat een territoriumhoudende vogel aangetroffen wordt tijdens een bezoek door de inventarisator: de trefkans. Dat er verschillen waren tussen soorten, wisten we al. Maar dat de verschillen zo groot waren, was een eye-opener.

Uit het onderzoek kwam de Kleine Bonte Specht als lastigste klant naar voren. Hij had de laagste trefkans van 64 soorten, slechts 16%. Dat betekent dat je pas na 13 bezoeken 90% van de territoriumhouders tenminste één maal aangetroffen hebt. Vergelijk dat eens met de Boomleeuwerik, trefkans 54%, met al na drie bezoeken 90% van de territoria in kaart gebracht.

Het onderzoek was aanleiding tot verdere standaardisatie van broedvogeltellingen, met een ‘verplicht’ minimum aantal bezoeken en een per soort verschillend criterium om waarnemingen te interpreteren. Want bij een soort met een hoge trefkans mag je, alvorens tot een territorium te besluiten, meer waarnemingen verlangen dan van een soort met een lage trefkans.

En de Kleine Bonte Specht zelf? Die breidde zich na 1980 aanzienlijk uit over vooral de hogere gronden van Nederland, dankzij het ouder worden van het bos en het minder intensieve bosbeheer. Dat werd prima gedocumenteerd door de broedvogeltellers die inmiddels de kneepjes van het vak steeds beter beheersten. Maar sinds de eeuwwisseling zijn er ook geluiden dat hij het regionaal niet goed meer doet, met name in al lang bezette gebieden. Dat komt overeen met geluiden uit Engeland, waar men bezorgd is over de sterke afname. Een soort, kortom, waarvan we de verspreidingskaarten in de nieuwe Vogelatlas bijna niet kunnen afwachten. 

Kleine Bonte Specht | Harvey van Diek

              Kleine Bonte Specht. Fotograaf Harvey van Diek