Toen en nu 1973: Kwartel en meer

Kwartel Jan Jacobs

Wat we in 1973 wisten over het voorkomen van vogels, stamde grotendeels uit bronnen die noodgedwongen incompleet waren. Hoe incompleet, bleek al snel toen er in de jaren zeventig meer systematische vogeltellingen op gang kwamen. Het gold zowel voor broedvogels als voor trekkers en wintergasten.

Kwartels

Kwartels zijn in de broedtijd lastig te inventariseren. Dat lukt alleen door geschikte gebieden in de diepe schemer te bezoeken, een tijd- en energieverslindende bezigheid. De auteurs van de “Avifauna van Nederland” uit 1970 meenden dat er gewoonlijk hooguit 250 territoriale vogels in ons land verbleven, in zeer gunstige jaren ook wel meer. Zo’n jaar was 1964, toen er ‘overal’ Kwartels werden gehoord. Voor Noord-Brabant schatte men het aantal op 200-300. Dat was echter vrijwel geheel gebaseerd op toevallige meldingen, niet op grootschalig en vlakdekkend onderzoek op het juiste tijdstip van de dag.

Al tijdens het veldwerk voor de eerste Broedvogelatlas in 1973-77 bleek de Kwartel een veel ruimere verspreiding te hebben dan gedacht. Het aantal werd in goede jaren op 900-1200 geschat. Ook dat was echter vrijwel zeker een onderschatting. Veldwerk voor de tweede Broedvogelatlas in 1998-2000 leverde een schatting op van 2000-6500 territoria. In zeer gunstige jaren, zoals in 1989, zou het mogelijk zelfs om rond 10.000 gaan.

En dan te bedenken dat er geen aanleiding is om te denken dat deze soort in de loop der jaren sterk is toegenomen! Dat is ook niet aannemelijk, gezien de ontwikkelingen in de Nederlandse landbouw en berichten over een afnemende kwartelstand in andere Europese landen. De aantallen van deze geheimzinnig levende soort zijn in het verleden op enorme schaal onderschat.

Kruisbek

Kruisbek, fotograaf Mariet VerbeekOok de Kruisbek is een lastige klant bij broedvogelinventarisaties. Die moeten in januari of februari beginnen, omdat het broedseizoen een vroege start heeft. Iets dat vrijwel niemand vóór 1970 deed in de uitgestrekte naaldbossen waar de Kruisbek nestelt.

Hij stond dan ook als ‘toevallige broedvogel’ bekend, met slechts 3-4 bekende broedgevallen. Bij het veldwerk voor de eerste Broedvogelatlas werden echter 25-75 broedgevallen bekend, vooral dankzij het pionierswerk van Arend van Dijk (Drenthe) en Rob Bijlsma (Zuidwest-Veluwe). De werkelijke aantallen zullen nog hoger zijn geweest.

In de jaren daarna bleek de soort in alle naaldbosrijke delen van het land tot broeden te komen, zij het niet jaarlijks. Rond de eeuwwisseling werd geschat dat er in magere jaren enkele honderden paren tot broeden komen in ons land, en na invasiejaren zelfs enkele duizenden. Hoewel de suggestie van sterke toename correct is – de Kruisbek heeft geprofiteerd van het op leeftijd komen van het Nederlandse naaldbos – is de soort in het verleden ongetwijfeld op grote schaal gemist.

Zeetrekwaarnemers

Ook buiten de broedtijd leverde intensief en systematisch veldwerk spectaculaire ontdekkingen op. Het tellen van over zee trekkende vogels werd al begin 20e eeuw door een enkeling beoefend, maar nam pas een hoge vlucht vanaf 1972. De oprichting van de Club van Zeetrekwaarnemers (CvZ, tegenwoordig Nederlandse Zeevogelgroep) leidde in korte tijd tot veel nieuwe informatie.

Door lange uren met sterke kijkers over zee te turen, gefixeerd op een vast punt, ontdekten tellers bijvoorbeeld dat de Grauwe Pijlstormvogel een schaarse maar regelmatige doortrekker was, en niet de dwaalgast zoals gedacht werd.  Noordse Stormvogels bleken in mei en juni bepaald niet zeldzaam, Dwergmeeuwen trokken op sommige dagen rond 1 mei massaal door.  Jelle van Dijk vatte na vijf jaar CvZ de bevindingen samen in een artikel (Het Vogeljaar 1977: 275-283) en kwam bij 16 soorten tot substantiële aanvullingen of correcties op de gangbare informatie.