Standaardisatie veldwerk nieuwe broedvogelatlas

Het veldwerk voor de nieuwe broedvogelatlas volgde strikte richtlijnen om gedetailleerde en goed reproduceerbare kaartbeelden mogelijk te maken. Dat vergde veel discipline van de tellers. Die met vlag en wimpel slaagden!

 

Eerste Nederlandse Broedvogelatlas
Eerste Nederlandse Broedvogelatlas

Nieuwe generatie atlassen

Het veldwerk voor de eerste Nederlandse broedvogelatlas vond plaats in 1973-77. Het boek, verschenen in 1979, behoorde tot de eerste generatie vogelatlassen in Europa. De Britten gingen voorop, gevolgd door een hele trits van landen, waaronder dus ook Nederland.

Deze atlassen, ontstaan in de jaren zeventig en tachtig, hadden eenzelfde opzet. Vogelaars onderzochten in vaste eenheden, atlasblokken (bij ons 5x5 km), welke vogelsoorten er voorkwamen. De bedoeling was een zo compleet mogelijke lijst te krijgen. Hierbij werd veel belang gehecht aan de broedzekerheid.

In de jaren negentig was de tijd rijp voor herhaling van het atlaswerk. Dit zou de veranderingen in verspreiding  sinds de vorige atlassen documenteren. Tegelijkertijd werd de kans aangegrepen om verspreidingsbeelden te verfijnen. Voor algemene soorten, die in vrijwel alle atlasblokken voorkomen, leverden de eerste generatie atlassen immers weinig meer op dan de bevestiging van de ruime verspreiding. Tegelijkertijd bood een nieuwe atlas kansen om meer kwantitatieve informatie te verzamelen. De tijd waarin we tevreden waren met het uitsluitend vaststellen van de aan- of afwezigheid van een soort in een atlasblok, was voorbij.

Om dit alles goed te doen, en gedetailleerde vergelijking met toekomstig onderzoek mogelijk te maken, was standaardisatie nodig.

 

Lessen van de Britten

De Britten gaven weer eens het goede voorbeeld. Hun tellers inventariseerden voor de nieuwe atlas (veldwerk 1988-91) gedurende een vast tijdsbestek minstens acht hokken (tetrads) binnen hun atlasblok. Dit gebeurde tweemaal per broedseizoen. Met de hiermee verzamelde resultaten konden verspreidingsbeelden aanzienlijk worden verfijnd.

Het leverde indrukwekkende resultaten op en Sovon nam zich voor haar eigen nieuwe atlas op eenzelfde manier aan te pakken. De schaal werd daarbij aangepast aan het Nederlandse landschap (5x5 km blokken in plaats van 10x10 km, zoals in Engeland). Belangrijker was echter een andere aanpassing.

Toen medewerkers van Sovon op bezoek gingen bij hun Britse collega’s om te praten over de atlasmethoden, kregen ze een verzuchting te horen. Achteraf betreurden de Britten het dat ze de keuze van de speciaal te onderzoeken tetrads vrij hadden gelaten aan de tellers. Vogelaars kiezen – heel menselijk – nu eenmaal liever voor de ‘mooiste’ of ‘vogelrijkste’ gebieden. Daardoor bestonden er bij de Britten achteraf wat twijfels over de representativiteit van sommige kaarten.

 

Gouden Grid
Gouden Grid

Standaardisatie: een keurslijf?

Gevoed door de Britse ervaringen nam Sovon een gedurfd besluit. De keuze van de nader te onderzoeken kilometerhokken zou niet aan de teller worden overgelaten! In plaats daarvan werden in ieder atlasblok, volgens een vast stramien, kilometerhokken aangewezen: het ‘Gouden Grid’.

Er werd intern behoorlijk over gediscussieerd. Want hoe haalbaar was dit alles? Het was overduidelijk dat het systeem van de aangewezen hokken methodologische voordelen had. Maar zouden de tellers het ook pikken, om naar uit kale akkers of drukke stadskernen bestaande hokken gestuurd te worden?

Dat viel geweldig mee. Eigenlijk hoorden we voornamelijk enthousiaste geluiden. De tellers begrepen heel goed waar die sturing voor nodig was. Ze vonden tweemaal een uur in een saai hok blijkbaar niet onoverkomelijk. Sommigen vonden het zelfs een uitdaging om eens te vogelen in gebieden waar je anders nooit komt. Verrassingen niet uitgesloten en in het slechtste geval (weinig te zien…) in ieder geval nuttig voor de atlas.

 

Vele handen maken licht werk

Tweede Nederlandse Broedvogelatlas
Tweede Nederlandse Broedvogelatlas

Nog meer standaardisatie: punttellingen

We gingen nog wat verder in onze eisen aan de tellers. Die werden dus geacht hun kilometerhokken tweemaal gedurende een uur te bezoeken. Binnen dat uur moesten ze ook nog eens een punt opzoeken zo dicht mogelijk bij het midden van het hok. Daar telden ze gedurende precies vijf minuten alle broedvogels.

Die vijfminutentelling was nodig omdat sommige soorten in het Nederlandse landschap zeer verbreid voorkomen. Zo zorgden de punttellingen ervoor dat er binnen de ruime verspreiding van Merel, Zwarte Kraai en andere soorten onderscheid kon worden gemaakt tussen de allerbeste gebieden en de rest.

Dat we dit durfden te vragen, komt ook door de bekendheid van veel tellers met het Punt-Transect-Tellingenproject (PTT). Bij het PTT, het oudste monitoringproject van Sovon, noteert de teller gedurende precies vijf minuten alle vogelsoorten en aantallen op een vast punt.

Inmiddels bleek overigens dat de punttellingen met een aanpassing nóg meer informatie opleveren. Voor de nieuwe atlas (veldwerk 2012-15) vragen we de tellers, op vrijwillige basis, om tien minuten te tellen, gesplitst in twee perioden van vijf minuten. De eerste resultaten wijzen erop dat 40% van de tellers gehoor geeft aan deze oproep. Super!!