Mijn moment: Marc van Roomen

Tellingen van watervogels vormen een van de pijlers onder het Sovon-bouwwerk. De organisatie ervan is sinds 1993 in handen van onze vereniging. Marc van Roomen, de eerste coördinator bij Sovon, kijkt terug.

Van jeugdbond naar WIWO

Marc van Roomen | Fotograaf Jules Philippona
Marc van Roomen | Fotograaf Jules Philippona

Een van mijn eerste dierbare herinneringen aan vogels dank ik aan een juffrouw uit de derde klas van de lagere school. Zij maakte me attent op een baltsplaats van Kemphanen vlakbij Heiloo, mijn woonplaats. Wat later, als 13-jarige, werd ik actief in de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN), afdeling Alkmaar. Zo kwam ik terecht op de zomerkampen (“Zoka’s”) van de jeugdbond op Terschelling, vanaf 1980. Dat was toen een broedkamer voor onder andere het nadenken over tellingen en monitoring in het Waddengebied.

Onze afdeling deed ook mee met de midwintertelling van watervogels, voor onze regio gecoördineerd door de nog steeds actieve Kees Scharringa. Uit die tijd ken ik veel ervaren waterwildtellers, prima vogelaars waarvan een deel nog steeds telt.

Vervolgens leerde ik de Werkgroep Internationaal Wad- en Watervogelonderzoek (WIWO) kennen. De WIWO voerde met vrijwilligers onderzoek uit naar wetlands en watervogels in verre en minder verre landen. Ik was betrokken bij de organisatie en uitvoering van diverse expedities, een tijdrovende maar bevredigende bezigheid.

 

Eerste baantjes

Na mijn lerarenopleiding Biologie kreeg ik een zelf gekozen ‘werkervaringsplek’ bij het Instituut voor Taxonomische Zoölogie  in Amsterdam. Hier, bij Jan Wattel, kon ik resultaten van WIWO-onderzoek uitwerken. En hier ook kwam het verzoek van Gerard Boere (ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; LNV) binnen, voor assistentie bij het voorbereiden van een internationaal verdrag voor watervogelbescherming (AEWA). Dit werd mijn eerste echte baan.

Vervolgens mocht ik bij Rijk van Oostenbrugge (LNV) werken aan de voorbereiding voor een congres over landbouwschade door watervogels. Ik was nog met het verslag van dit symposium bezig, toen er een vacture bij Sovon ontstond, voor coördinatie van de waterwildtellingen. In 1992 werd ik aangesteld.

 

Watervogeltellingen naar Sovon

Landelijke watervogeltellingen vinden in Nederland al bijna een halve eeuw plaats. De organisatie was lange tijd in handen van het Rijksinstituut voor Natuurbeheer (RIN), met Leo van den Bergh als een van de grote stimulators. De tellingen pasten echter steeds minder binnen het onderzoekpakket van het RIN, en steeds meer binnen dat van Sovon. Een samenvattende rapportage van Hans Buesink voor het RIN vormde een mooi moment om een nieuw tijdperk in te luiden.

Tijdens de afscheidsreceptie van Siegfried Woldhek, als directeur van Vogelbescherming in Zeist, kwamen Frank Saris (directeur Sovon) en Eric Marteijn (Rijkswaterstaat) hierover te spreken. Rijkswaterstaat bleek meer met de waterwildtellingen te willen doen en hiervoor ook een opdracht te willen geven, mits LNV zou meebetalen en de tellingen door Sovon zouden worden gecoördineerd. Dit vormde een degelijke basis voor een flitsende  (door)start van de watervogeltellingen bij Sovon.

 

Strubbelingen en samenwerking

De overname van de tellingen ging niet helemaal zonder strubbelingen. Sommige medewerkers van het RIN  dachten dat Sovon alleen de organisatie van de tellingen zou verzorgen en vervolgens de data zou afstaan. Ze waren onaangenaam verrast toen de opdrachtverlening vanuit de overheid een andere bleek. Grote uitdaging was ook het mogen gebruiken van data die door andere instanties werden verzameld. Mensen als Peter Meininger, Cor Berrevoets (Delta), Mennobart van Eerden (IJsselmeergebied) , Meinte Engelmoer en Jouke Prop (Waddengebied) stonden echt voor hun data. En begrijpelijk, want ze organiseerden voor eigen gebruik al vele jaren tellingen van hoge kwaliteit. Het voelde dan ook een beetje alsof we hun ‘koninkrijkjes’ binnendrongen, maar het vormde wel de basis van een productieve samenwerking die nog steeds bestaat.

Gelukkig werd het project voldoende goed gefinancierd en was er ook ruimte voor het uitwerken van oude tijdreeksen. Veel oude gegevens moesten opnieuw ingevoerd worden, omdat ze op een te grove schaal in de databases waren gestopt. Bij dit alles kon ik niet zonder mijn computer-rechterhand, Erik van Winden. We kenden elkaar al van de NJN en de WIWO-expeditie naar Tunesië, waar Erik bijna uit het niets erin slaagde goede verspreidingskaartjes te maken. Voor het welslagen van het watervogelproject was de combi met hem cruciaal. Ook de samenwerking met Ruurd Noordhuis (Rijkswaterstaat), Kees Koffijberg en Berend Voslamber (eerst Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, later Sovon) bleek voor het project een succesfactor.  En natuurlijk was de inbreng van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) belangrijk, met name bij de berekening van trends.

 

Integratie van projecten

De start van de watervogeltellingen onder de hoede van Sovon was voortvarend. Er was volop medewerking en de uitgebreide jaarlijkse verslaglegging werd gewaardeerd door de tellers. Het was echter een wat versplinterd geheel. Er waren rivierentellingen, ganzentellingen, wadvogeltellingen en de midwintertelling; allemaal met een eigen aansturing en aparte rapportage.

Marc van Roomen | Fotograaf Harvey van Diek
Marc van Roomen | Fotograaf Harvey van Diek

Daarin kwam verandering vanaf de eeuwwisseling. De verschillende tellingen werden ondergebracht in één meetnet en de resultaten werden in één rapport gebundeld. Ook de tellingen op slaapplaatsen van watervogels, een nieuwe loot aan de tak, krijgt daarin zijn plaats.

En er waren meer ontwikkelingen. We gingen, samen met CBS, verder met het ontwikkelen van verfijnde trendberekening via imputing en ontwikkelden de digitale invoer voor waarnemers. Zo werden de watervogeltellingen een solide bouwsteen van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM), het stelsel van natuurmeetnetten van de overheid.

Mijn eigen coördinatorschap eindigde overigens in 2009. Ik was toe aan nieuwe uitdagingen binnen Sovon en vond die onder andere in meer beleidsmatig gericht onderzoek in het Waddengebied en het opzetten van…watervogelmonitoring in Afrika!

Uiteraard houd ik de voortgang van de watervogelprojecten nog steeds in de gaten. Tot mijn tevredenheid constateer ik dat het prima loopt onder mijn opvolger Menno Hornman.

 

Terugblik

Wat zijn de grote verdiensten van het watervogelproject? We kunnen langjarige ontwikkelingen, vanaf 1975, op zowel landelijke schaal als in belangrijke wetlands aangeven. Daarmee monitoren we veel ecologische ontwikkelingen. De opkomst van de Grote Zilverreiger, de toename van winterganzen en exoten, het herstel van watervogelconcentraties op de Randmeren, de afname van sommige duikeenden op het Markermeer: het is allemaal goed vastgelegd.

Het project bleek ook een grote pijler onder de aanwijzing van belangrijke gebieden in het kader van Natura 2000. Het goed op orde hebben van data die op verschillende schaalniveaus kunnen worden gebruikt maakt het project zeer geschikt voor allerlei bewerkingen.

In denk dat de landelijke beschikbaarheid van watervogeldata, gebundeld in jaarverslagen, momenteel als een vanzelfsprekendheid wordt gezien. Dat was het in de beginjaren echter zeker nog niet.

Marc van Roomen