Mijn moment: Arend van Dijk

Arend in actieAls er iemand in Nederland aanspraak kan maken op de titel Mister Broedvogelmonitoring, dan is dat Arend van Dijk. Geen ander inventariseert al bijna een halve eeuw een zo groot gebied: Zuidwest-Drenthe, 240 km2 groot. Het begon in de duinen.

"Mijn ouders woonden in Heemstede aan de rand van de stad, tegen de duinen aan. Oude kassencomplexen en voormalige bunkers: het waren spannende plekjes waar ik veel rondsjouwde. Toen kwam de strenge winter van 1962/63. Je hoorde geen branding meer, de zee was bevroren. Ik vond dode vogels op het strand en vroeg me af wat voor beesten dat waren.

Al snel kwam ik in contact met de regionale Vogelwerkgroep en  het echtpaar Bloem. Ze pionierden met een eigen, later naar hen genoemde, methode om broedvogels te inventariseren. Ik had veel moeite met de zang van de Zwartkop (toen nog: Zwartkoptuinfluiter), maar dat is later wel goed gekomen.

Ik had veel hogere aantallen dan de andere vogelaars. Nogal logisch, ik ging ’s ochtends vroeg al tellen, de anderen deden dat niet of niet altijd. Dat is een groot verschil.

Naar Drenthe

De Mulo bracht ik vooral spijbelend door; het vrije veld trok immers (volgens mijn moeder waren het de hormonen). Zo kwam ik terecht op de Tuinbouwschool in Frederiksoord. In Drenthe, zo ver mogelijk van huis. Het was een vrijgevochten bende en dat beviel goed. Wel af en toe nog naar huis, om geld op te halen.

In die tijd richtten we de NJN-afdeling Frederiksoord op. We waren al wat ouder, hebben daarom nooit de ‘klunzentijd’ meegemaakt, geen ontgroening voor ons. Ons groepje stond al snel te boek als de asociale afdeling Frederiksoord…

Van begin af aan zorgden we wel voor een goed tijdschrift, en ik schreef ook verhalen, bijvoorbeeld over het inventariseren van Rietzangers. Een rapport over de broedvogels van Zuidwest-Drenthe kon dankzij Herman Leys (destijds Rijksinstituut voor Natuurbeheer, RIN) gestencild worden.

Herman kende ik van een stage en via hem kwam ik o.a. terecht in een multidisciplinair inventarisatiekamp in het Junner Koeland bij Ommen. Iedere dag met een andere specialist mee en met Oeverzwaluwen ringen met Herman.  Dezelfde Herman Leys, de allereerste (nog onbezoldigde) coördinator van Sovon, vroeg me  in 1973 om het veldwerk voor de broedvogelatlas te coördineren voor Drenthe.

De start van het BMP

In 1979 kwam ik in dienst van Sovon, als ornithologisch medewerker voor de ‘Winter- en trekvogelatlas’. Het eerste monitoringproject van Sovon, het Punt-Transect-Tellingenproject (PTT), was inmiddels gestart. Dat richtte zich echter op wintervogels, voor broedvogels was er nog niets.

In 1982 gaf het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) te kennen dat ze graag jaarlijkse broedvogelgegevens wilden opnemen. Daarvoor was gestandaardiseerde broedvogelmonitoring nodig. Dat leidde tot vruchtbare discussies, want er werkten bij het CBS ervaren vogelaars als Roel Meijer en iets later Robert Kwak.

De jaren 1982-83 stonden in het teken van een vooronderzoek, met de vraag: moet het een punt-, turf- of karteringsmethode worden. We voerden hiertoe ook een enquête onder honderden vogelaars uit. Opvallend genoeg bleek de methode die het meest arbeidsintensief was het meest populair bij de vogelaars: de ‘uitgebreide territoriumkartering’. Dat werd dus de basis van het Broedvogel Monitoring Project (BMP).

Veel  tijd werd besteed aan het grondig vastleggen van de methode, waarbij we konden terugvallen op het Handboek Vogelinventarisatie waarmee het RIN bezig was. Later zijn er natuurlijk nog veranderingen doorgevoerd, zoals wijzigingen in de datumgrenzen en de introductie van fusie-afstanden, maar de basis bleef dezelfde.

Mijn eigen inventarisaties

Ik ben in 1968 in Drenthe begonnen met inventarisaties in plotjes (alle soorten) en grote gebieden (selectie van soorten). Eigenlijk het huidige BMP avant-la-lettre. Dat heb ik tot op de dag van vandaag volgehouden, en ik wist het ook altijd goed te combineren met het werk voor Sovon.

Daar had ik ook, zeker in de begintijd, een grote vrijheid. Je kon bij wijze van spreken de hele nacht doorwerken als dat moest – met lekker inventariseren op andere dagen als beloning.

Ik ben het inventariseren nog lang niet moe. Het veldwerk blijft inspirerend en het uitwerken van je resultaten is tegenwoordig een fluitje van een cent.  Met dank aan Autocluster! Vergeleken met de arbeidsintensieve administratie van vroeger is het haast een feest om je veldgegevens  in te voeren. Geweldige collega’s die dit voor elkaar hebben gekregen en erg leuk en inspirerend om nog te hebben meegemaakt."

Arend-Jan van Dijk