Mijn moment: Ward Hagemeijer

Ward Hagemeijer
Ward Hagemeijer

Nederland is een klein land, met vogels die zich niet aan grenzen houden. Dat was eind jaren tachtig de reden waarom we binnen Sovon verder gingen kijken. In die tijd werd Ward Hagemeijer actief in ons netwerk.

 

Van vrijwilliger tot werknemer

Al in mijn tienerjaren maakte ik de omgeving van Nijmegen onveilig. Daar zat toen een fanatieke afdeling van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN), Oriolus genaamd. Weer of geen weer, we fietsten de hele Ooijpolder rond en telden alles wat los en vast zat. Wad- en watervogels telden we tijdens kampen op Skylge. Met  leden van de Vogelwerkgroep Rijk van Nijmegen  werkten we aan een avifauna van de Ooijpolder.

Na mijn studie biologie – met een onderwerp aan de Kleine Torenvalk in Spanje - was ik  betrokken bij de Wiwo, zowel in bestuur als met expedities. Daaronder de expeditie naar Griekenland, de Mesolonghi-delta. Dit bracht de vogelrijkdom van dit gebied in kaart en was tevens onderdeel van een groot onderzoek, in vier landen rond de Middellandse Zee, naar de trekbanen van de Krombekstrandloper. Tijdens werk aan deze expeditie leerde ik medewerkers van Sovon kennen en in  1988 ging ik als vrijwilliger op het kantoor van Sovon in Beek-Ubbergen werken, naast een baan als veldmedewerker bij de Provincie Gelderland en later Noord Brabant. Ik werd ingezet bij allerlei projecten, zoals het bijeenbrengen van langlopende tellingen (‘oude tijdreeksen’) die als referentie konden dienen voor de monitoringresultaten. Ook maakte ik het eerste draaiboek voor de Landelijke Dag van Sovon, iets dat in geactualiseerde vorm nog steeds gebruikt wordt. In 1990 kreeg ik mijn eerste contract voor betaald werk bij Sovon, nog steeds aan de oude tijdreeksen. Al gauw kwamen daar andere dingen bij en in toenemende mate  ook internationale zaken.

 

Organisatie internationaal congres…

Bird Numbers 1992
Bird Numbers 1992

Sovon was al enige tijd actief binnen Europa, in organisaties van nationale coördinatoren van landelijke telprojecten (International Bird Census Council; IBCC) en het beoogde Europese atlasproject (European Ornithological Atlas Committee; EOAC). Ze hielden om de paar jaar gezamenlijke conferenties waarop Johan Bekhuis en Frank Saris zich namens Sovon nog het meest roerden.

Toen besloten werd dat het volgende IBCC/EOAC-congres  in Nederland zou plaatsvinden, en dat Sovon en CBS de trekkers zouden zijn, hield dat in dat er veel te organiseren viel. Gerard Boere, die destijds in het Sovon-bestuur zat, was gekozen tot de voorzitter van het congres, dat wij gezamenlijk  zouden gaan trekken. Dat werd een klus die mijn tijd aardig vulde! Ik  werd niet gehinderd door enige ervaring  met de organisatie van een meerdaags internationaal congres met ruim 200 deelnemers uit 30 landen, maar had gelukkig een ervaren coach in Gerard.

Het congres, Bird Numbers 1992, in Noordwijkerhout in september 1992, was inspirerend en bijzonder geslaagd, een hoogtepunt. We mogen zonder overdrijving stellen dat we een ‘nieuwe standaard’ hebben neergezet voor die tot dan toe toch wat kleinschalige conferenties waarop weinig uit Oost-Europa te horen was en waar vooral over methodologische aspecten werd gepraat. Zo waren ditmaal, dankzij verkregen subsidies,  alle Europese landen, tot aan de Oeral, vertegenwoordigd  en was  de link met de wetenschap en de toepassing van de telresultaten voor bescherming duidelijk vertegenwoordigd.

Het uitgeven van de proceedings was  een hele klus: een boek van ruim 700 pagina’s en ca. 2 kg was  het resultaat. Hierbij werkte ik uitstekend samen met de huidige directeur van Sovon, Theo Verstrael, die destijds op het CBS werkzaam was.

 

…en Europese broedvogelatlas

Johan Bekhuis
Johan Bekhuis

De stagnatie rond de geplande eerste Europese Broedvogelatlas had al een tijd de aandacht van Sovon. De IBCC/EOAC-conferentie in Praag in 1989 was hierbij een keerpunt. Toen werd afscheid genomen van de wat oudere Europese Atlasgarde, die tot dan toe nog niet erg was opgeschoten. Dankzij het enthousiasme van vooral Johan Bekhuis, als spin in het web van de vele nationale atlascoördinatoren, kwam er schot in het geheel. Johan gaf veel ondersteuning aan met name Oost-Europese landen. Voor veel van die landen betekende deelname in feite de realisering van hun eerste eigen atlas.

Johan slaagde erin om met veel ondersteuning van het toenmalige BIC (Johan Thissen, Peter Frigge) en een bescheiden rol van mijzelf  een voorlopige atlas uit te brengen, met werkkaarten bedoeld om aanvullingen en correcties los te peuteren. Het zou daarna nog vijf jaar duren, voordat de Europese atlas kon worden uitgegeven…! Dat lag niet alleen aan het binnenhalen en controleren van de gegevens, maar ook aan het schrijf- en redactiewerk, allemaal geleid vanuit Sovon. Dat werd mijn hoofdtaak.

De ‘voorlopige atlas’ had het gewenste effect. Een grote stroom nieuwe gegevens en correcties kwam op gang. Om dat allemaal te kunnen verwerken heb ik een relationele database opgezet met bewerkings- en analyse scripts en een link naar het kaartenprogramma. Beschikking over GIS hadden we toen nog niet, we gebruikten een internationale versie van het bekende ‘Stipt’, gemaakt door Peter Frigge.

 

Mike Blair
Mike Blair
Rob Bijlsma
Rob Bijlsma

De soortteksten werden opgesteld door tientallen specialisten uit allerlei landen. Daarna moesten die teksten door de redactionele molen en werden inleiding, methodologische verantwoording, samenvattende analyses, literatuurlijsten, indexen etc. opgesteld, en dat  in alle veelgebruikte Europese talen. Hierbij werden de banden met onze Engelse zusterorganisatie, de British Trust for Ornithology (BTO), nauw aangehaald. Mike Blair, mederedacteur namens de BTO, bleek een formidabel werkpaard met militaire discipline, terwijl ook de redactionele ondersteuning van Rob Bijlsma niet uitgevlakt moet worden.

Over de uitgave zelf maakten we ons aanvankelijk niet zo veel zorgen.  We gingen ervan uit dat we voor deze broodnodige atlas wel ergens financiering zouden vinden: een klassieke open-eind situatie, met het gevaar dat de atlas een steeds grotere molensteen zou gaan worden. Met veel moeite werd uiteindelijk Europees geld gevonden voor een deel van het project. Aangevuld met ‘soortsponsoring’ door bedrijven, organisaties en individuen en een goed aanbod van een gerenommeerde uitgeverij, kon de uitgave uiteindelijk worden gerealiseerd.

 

Atlas met vallen en opstaan

De planning was dat we  de atlas op onze Landelijke Dag van 1996 zouden presenteren. Maar door allerlei technische tegenslag bij de gerenommeerde Engelse uitgever Poyser lukte dit van geen kant. Maanden gingen bijvoorbeeld verloren doordat correcties en verbeteringen in teksten werden aangebracht in een voorlaatste versie…Het werken met grote data-, kaart- en  tekstbestanden kende nog kinderziektes, vooral in de uitwisseling met de uitgever.

Maar ondanks alle inspanningen kon het tijdpad voor de presentatie toch niet gehaald worden. Omdat die wel al in het programma stond, inclusief uitnodiging voor het ministerie, bedachten we een truc. Een levensechte dummy, met de echte kaft en juiste omvang, maar vol met lege pagina’s werd aan een hoge ambtenaar overhandigd. Die deed op het podium alsof hij hevig verrast was door de mooie inhoud. Bijna niemand van de 1300 aanwezigen in de Vereeniging in Nijmegen, waar de Landelijke Dag plaatsvond, had  dit mooie toneelstukje door….

Er viel een hele last van me af toen de atlas eindelijk in 1997 verscheen. Een turf van 900 pagina’s waarin de Europese broedvogels voor het eerst gedetailleerd in kaart waren gebracht, een mijlpaal! Dat het boek internationaal werd verkozen tot beste natuurboek van dat jaar was een mooie bekroning.

 

Presentatie van de Europese Atlas
Presentatie van de Europese Atlas. Van Links naar rechts: Ward Hagemeijer (Sovon), Mike Blair (BTO), F.Prillevitz (European Centre for Nature Conservation), Goetz Rheinwald (European Bird Census Counsel) & Andrew Richford (Poyser/Academic Press) | Foto Martijn de Jonge / Sovon-Nieuws 9 (4); 1996

Na de atlas

Ondanks alle lof en de grote interesse voor de publicatie, bleek bij het opmaken van de eindbalans dat het Europese atlasproject financieel toch een klein rampje was, waarvan de schade bij Sovon en in mindere mate bij de BTO terechtkwam. De deal met uitgever Poyser was in zoverre goed dat er een grote oplage (25.000 ex) was gedrukt waarvan vele duizenden exemplaren gratis beschikbaar waren voor verspreiding in Oost-Europa. Keerzijde van de medaille was dat de royalties van het boek voor Sovon en BTO heel mager waren.  Weliswaar hadden we bedongen dat de rechten op het databestand bij Sovon lagen, maar dat was vooral om te zorgen dat de gegevens een nuttige toepassing zouden krijgen. Veel geld zat daar niet in.

In de eerste jaren na de publicatie van de Europese Atlas voerde ik voor Sovon  vele dataverzoeken  en analyses uit. Andere medewerkers, zoals Henk Sierdsema, tilden dit later naar een hoger plan.  Zo was het uiteindelijk toch een verantwoorde, maar dure investering in de eigen organisatie en haar medewerkers, maar vooral ook in de ondersteuning van de bescherming van de Europese broedvogels.

Verder ontstonden er allerlei afgeleide toepassingen: de prachtige Europese klimaatatlas is hiervan bijvoorbeeld een duidelijk resultaat van. Ook voor andere groepen organismen (vlinders, planten e.d.) werd ‘onze’ atlas het voorbeeld, dat navolging verdiende.

EBCC-logo
EBCC-logo

Zelf ging ik na de atlas in toenemende mate andere dingen doen binnen de organisatie. Als  hoofd Onderzoek ging ik proberen om verklarend onderzoek op poten te zetten en te stimuleren. De tijd van alleen data verzamelen was immers voorbij, het was zaak om ook grip te krijgen op  de oorzaken van gesignaleerde trends. Veel van dat werk gebeurde in Nederland, maar ook internationaal bleef Sovon aan de weg timmeren en de European Bird Census Council heeft dan ook steeds een sterke Sovon-vertegenwoordiging gekend. Dat is nog steeds zo met Ruud Foppen als de huidige voorzitter.

Maar ook het verre buitenland bleef trekken. In het kader van de bilaterale samenwerking tussen Nederland en Benin, deed ik voor Sovon een project in dat West-Afrikaanse land. We zetten er een vogel-NGO op, CEROE genaamd, en voerden er onderzoek uit naar Zwarte Sterns, in samenwerking met Jan van der Winden.

In  het jaar 2000 kwam mijn overstap naar Wetlands International. Daar  houd ik me bezig met de waarde van ecosystemen van wetlands over de hele wereld. De laatste jaren richt ik me vooral op samenwerking met (grote) bedrijven. Dat betekent veel reizen en overleggen, maar ook spannende nieuwe gebieden bekijken en me inzetten voor, onder andere, de vogels. Want Sovon en de vogels houden een speciaal plekje in mijn hart.

 

Ward Hagemeijer