Jaarlijkse monitoring van alle broedvogels

Vanaf de jaren dertig van de 20e eeuw werden pogingen ondernomen om de aantallen van alle broedvogels in een gebied zo goed mogelijk in kaart te brengen. Soms werd dit gedurende enkele jaren volgehouden, of later nog eens herhaald, wat een extra waarde betekent.

Jan P. Strijbos
Jacob Walters met Kleine Plevier

Voorbeelden zijn de inventarisaties van het Amsterdamse Bos (J. Sluiters), de havengebieden in wording aan de westkant van Amsterdam (J. Walters) en verschillende delen van de nieuwe inpolderingen in het IJsselmeergebied, waaronder het Robbenoordsbos in de Wieringermeer (W.H. van Dobben).

Eind jaren vijftig en begin jaren zestig werden inventarisaties gestart die tientallen jaren doorliepen en soms zelfs nu nog plaatsvinden. Dit was het geval in de duinen bij Meijendel, waar het in 1958 gestarte vogelpopulatie-onderzoek tot de vermoedelijk oudste nog lopende tijdreeks leidde.

Andere oude voorbeelden van jaarlijkse inventarisaties van alle broedvogels zijn die van landgoed Mensinge in Drenthe (Sjoerd Braaksma), Hoekelum bij Wageningen (Herman Leys) en Amelisweerd bij Utrecht (waar generaties leden van VW Utrecht ervaring opdeden). En natuurlijk mogen de monitoringplotjes van Arend van Dijk (Zuidwest-Drenthe) niet vergeten worden.

Opmerkelijk is ook het initiatief van het Rijksinstituut voor Natuurbeheer (RIN; opvolger van RIVON en voorloper van Alterra) om verspreid over Nederland een twintigtal gebieden jaarlijks te onderzoeken. Dit naar aanleiding van bezorgdheid omtrent het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw. De inventarisatie liep van 1969 tot en met 1985 en werd volledig door Dick Jonkers verzorgd.