Het jaar 1973, de start

Begin jaren zeventig van de 20e eeuw was er, vergeleken met nu, maar weinig bekend over de Nederlandse vogelstand en veranderingen daarin. Van de meeste soorten wisten we zo goed als niets, wat vage aanduidingen in de vogelboeken daargelaten.

Slechts van enkele vogelsoorten waren de landelijke aantallen en verspreiding redelijk bekend. Het ging veelal om kolonievogels waarvoor ons land een speciale betekenis heeft, zoals de Lepelaar. Daarnaast werden soorten in de gaten gehouden vanwege mogelijke schade, zoals Aalscholver en Roek.

Sommige personen organiseerden wel eens een landelijke inventarisatie, al dan niet onder de vlag van het Contactorgaan voor Vogelstudie van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (KNNV). Sommige van die tellingen leverden waardevol en nog steeds bruikbaar materiaal op, zoals de tellingen van Fuut en Turkse Tortel (Herman Leys), Grutto (Theo Mulder) of Kerkuil (Sjoerd Braaksma & Onno de Bruijn).

In andere gevallen bleek het toch lastig om een landelijk beeld te krijgen, onder andere doordat er niet zo veel vogelaars waren en deze nogal versplinterd bezig waren. Een echte overkoepelende organisatie voor vogeltellers bestond nog niet. Duidelijke richtlijnen voor het tellen van vogels ontbraken evenzeer, al gaf het prachtige boekje Vogels in hun domein van Luuk Tinbergen goede aanzetten.

De tijden veranderen

De roerige jaren zestig brachten ook de vogelaarswereld in versnelling. Er ontstond een groter milieubewustzijn, niet in de laatste plaats door het boek “Silent spring” van Rachel Carsons, dat een somber beeld van een vergiftigde wereld schetste. De sterke afname onder verschillende roofvogels en sterns in die tijd leek haar gelijk te geven: ze bleken het slachtoffer te zijn van onbedoelde vergiftiging via landbouwbestrijdingsmiddelen. Grote natuurvijandige projecten riepen in toenemende mate weerstanden op, al betekende dat niet dat ze werden afgeblazen. De teloorgang van De Beer ten bate van de uitbreiding van Europoort spreekt boekdelen. Het is alsof het eiland Griend zou worden opgeofferd aan industrievestiging.

Vogelaars begonnen te beseffen dat een beter zicht op aantallen en verspreiding van vogels nodig was om ongewenste situaties tijdig te zien aankomen en met cijfermateriaal te bestrijden. Er ontstonden initiatieven om  de vogelstand in de eigen regio vast te leggen, zoals voor de Avifauna van Midden-Nederland. Dat had nogal wat voeten in de aarde, waarbij de 'jonge honden'  zelfs regelrechte tegenwerking ondervonden (lees de herinneringen van Jan van der Straaten, die betrokken was bij verschillende regionale projecten).

Tegelijkertijd ging ook de overheid meer prioriteit geven aan vogeltellingen ten behoeve van beheer en beleid.
Zo stelden medewerkers van het Rijksinstituut voor Veldbiologisch Onderzoek in Nederland (RIVON, later Rijksinstituut voor Natuurbeheer, RIN) overzichten samen van soorten als Woudaapje, Bergeend en Stormmeeuw.
Een echte landelijke bundeling van krachten kwam echter nog niet van de grond. Het lichtende voorbeeld daarvoor was Groot-Brittannië.

Het Britse voorbeeld

Vanuit Nederland werd wel eens met bewondering gekeken naar Groot-Brittannië. Daar bestond al tientallen jaren de British Trust for Ornithology (BTO). Deze bevorderde veldonderzoek, met name door vrijwilligers, organiseerde landelijke vogeltellingen en publiceerde hierover. De jaarlijkse telling van Blauwe Reiger-kolonies op de Britse Eilanden, gestart in 1928, is vermoedelijk de oudste nog bestaande landelijke vogeltelling ter wereld!

In de jaren zestig waren de Britten goed bezig. In 1962 werd een vliegende start gemaakt met een monitoringprogramma voor algemene broedvogels, de Common Birds Census (CBC). Daarmee werd de stand van een groot aantal vogelsoorten nauwlettend en volgens gestandaardiseerde voorschriften in de gaten gehouden. Daarnaast begonnen ze in 1968 met een landelijk atlasproject. Met behulp van 15.000 vrijwilligers legden ze de landelijke verspreiding van alle broedvogelsoorten vast in 3862 blokken van 10x10 km. Een geweldige operatie die uitstekend slaagde en een inspirerende atlas opleverde.

Deze voorbeelden bewezen wat je kon bereiken met behulp van gemotiveerde vogelaars verenigd in een landelijke organisatie en aangestuurd met heldere voorschriften. Het onderwerp kwam uiteraard ter sprake op een internationale conferentie in 1971 in Tring (Engeland) over bevordering van de amateurornithologie in Europa. Drie Nederlanders die daaraan deelnamen, Hans van Balen, Jan Wattel en Luit Buurma, kwamen vol goede moed terug.
Iets vergelijkbaars moest toch ook in Nederland kunnen…