De ontstaansgeschiedenis van de watervogeltellingen

Watervogeltellingen zijn een belangrijk en niet weg te denken onderdeel van het landelijke monitoringonderzoek aan vogels. De resultaten worden volop gebruikt binnen de natuurbescherming en voor beheer en beleid.

Hoe ontstonden zulke tellingen, wie waren de trekkers, hoe groeide dit alles naar zijn huidige vorm? In deze aflevering een terugblik op de ontstaansgeschiedenis van de watervogeltellingen.

 

Tijdsbeeld

De eerste pogingen tot landelijke watervogeltellingen dateren van zo’n 65 jaar geleden. Een tijd waarin jagers en vogelaars broederlijk optrokken om het ‘waterwild’ te tellen, en waarin overheidsinstituten een coördinerende rol vervulden. Het leverde menige avontuurlijke telling op.

 

Het prille begin

De Britten waren er ook bij de landelijke watervogeltellingen weer het eerste bij. Ze begonnen al in de jaren dertig met systematische, maandelijkse tellingen van waterrijke gebieden.

Kort na de Tweede Wereldoorlog volgden Nederland, Zwitserland en Duitsland dit voorbeeld. Daar kwamen al snel andere landen bij, wat de basis vormde voor internationale samenwerking. In ons land vonden de eerste proeftellingen plaats in 1947. Bij Sovon staat nog een doos met 25 telformulieren uit dat historische eerste jaar!

Het bleek te ambitieus om in het winterhalfjaar maandelijks alle belangrijke watervogelgebieden te tellen. Het aantal deelnemers was klein, ervaring met het tellen van grote groepen watervogels bestond nog amper, en veel gebieden waren slecht toegankelijk. Daarom werd vanaf 1967 het vizier vooral gericht op de Midwintertelling in januari. Deze vindt in heel Europa in hetzelfde weekend plaats.

In de jaren zeventig werd dit telprogramma weer uitgebreid met maandelijkse tellingen langs de Grote Rivieren en landelijke ganzentellingen. Sommige overheden organiseerden eigen gebiedsdekkende tellingen, zoals in het Deltagebied door Rijkswaterstaat en Staatsbosbeheer. Ook  in het Waddengebied werden tellingen uitgevoerd door vrijwilligers in combinatie met professionals, veelal terreinbeheerders maar ook onderzoekers.

Vanaf midden jaren zeventig is het pakket aan tellingen dermate goed ontwikkeld dat de tellingen goed vergeleken kunnen worden met de huidige. Bij landelijke trendberekeningen nemen we standaard seizoen 1975/76 als eerste in de reeks. Op gebiedsniveau zijn soms veel langere tijdsreeksen beschikbaar. Die zorgen voor verrassende inzichten.

 

Vogelaars op dijk. Foto: Harvey van Diek
 

Jagers en vogelaars

Het tellen kwam voort uit bezorgdheid omtrent teruglopende aantallen van wat nog lange tijd ‘waterwild’ genoemd werd. Ganzen, eenden maar ook vele steltlopers werden in vrijwel geheel Europa intensief bejaagd. Dat gebeurde niet alleen in herfst en winter, maar soms tot in het diepe voorjaar aan toe.

In combinatie met snelle landschappelijke veranderingen, waaronder drooglegging van waterrijke gebieden, gaf dat aanleiding tot zorg. De koppen van enkele artikelen in Het Vogeljaar spreken boekdelen:

“Teveel afschot van waterwild in West-Europa” (anonieme auteur in Vj. 9, 1961: 164)
“Om het behoud van het waterwild in Europa” (M.F. Mörzer Bruijns & J.A. Eygenraam in Vj. 12, 1964: 304-307)
“Oproep voor samenwerking om ons waterwild te redden” (H.M. Hoekstra in Vj. 15, 1967: 415-416)

Jagers en (veel) vogelaars waren broederlijk verenigd in hun streven naar duurzamer jachtpraktijken en behoud van waterrijke gebieden. Het was in ons land dan ook het Instituut voor Toegepast Biologisch Onderzoek in de Natuur (ITBON) dat de coördinatie van de tellingen lange tijd verzorgde. Pas vanaf de jaren zeventig kwam natuurbehoud prominenter op de agenda.

 

Toppers zover het oog reikt. Foto: Rob Buiter

 

Watervogels tellen: niet gemakkelijk

In een periode waarin vogels tellen bepaald nog geen gemeengoed was, bleek het lastig om het tellen van watervogels van de grond te krijgen. Het gaat daarbij immers vaak om grote groepen, die notoir moeilijk te tellen zijn.

Sommige deelnemers aan de vroege tellingen durfden zich zelfs niet aan een getal te wagen. “Zwemeenden, voor zover het oog reikt” of “Zeer veel duikeenden, voornamelijk Brilduikers”; zulke in wezen onbruikbare kwalificaties kwamen wel eens op de formulieren terecht.

Praktische, nog steeds bruikbare tips ‘voor de leek’ werden door J.A. Eygenraam van het ITBON gegeven.  Hij verzorgde ook begin jaren zestig een artikelenreeks in Het Vogeljaar. Deze reeks droeg ongetwijfeld bij aan de toenemende medewerking aan de watervogeltellingen.

In het ‘Handboek Vogelinventarisatie’ uit 1985 werden instructies voor het tellen verder uitgebreid en onderbouwd met wetenschappelijke studies. Met de overname door Sovon van de watervogeltellingen kwam er ook een nieuwe handleiding. Deze is in de loop der jaren verder toegespitst en uitgebreid met nieuwe tellingen, zoals op slaapplaatsen. Momenteel kunnen per soort richtlijnen op de Sovon-website worden opgezocht. Een instructief filmpje belicht de techniek van het tellen.

 

Avontuurlijke tellingen

Watervogeltellers kunnen vaak urenlang vertellen over wat ze meemaakten. Bijzondere soorten of aantallen, maar ook ongemak (auto vast in de modder…) of nukken van het weer (regen, mist, ijzel). Veel tellingen vinden immers in de winter plaats.

In vroegere tijden was dat niet anders. Mooi is bijvoorbeeld de beschrijving door Jan Veen van tellingen langs de Waal tussen Nijmegen en Ochten in de winter van 1962/63. De strengste winter van de 20e eeuw! De rivier raakte grotendeels bevroren en de tellers zagen op 20 januari “één grote bevoren ijszee met hier en daar een wak”.

Tellen vanaf de kant was vrijwel onmogelijk, maar een telling vanuit een vliegtuigje bracht uitkomst. In de enkele nog aanwezige, langgerekte wakken hielden zich 30.000-40.000 duikeenden op. De sterfte onder Meerkoeten was enorm, terwijl Grote Zaagbekken en Nonnetjes op geen enkele wijze onder de vorst leken te lijden.

De vliegtuigtelling werd uitgevoerd door Alfred Blok in opdracht van het Rijksinstituut voor Veldbiologisch Onderzoek in de Natuur (RIVON) en Vogelbescherming. Het was niet de eerste grootschalige telling waarvoor een vliegtuig werd ingezet. En ook niet de enige in die historische winter; zo telde Wim Wolff vanuit een vliegtuig de watervogels van Haringvliet en Hollands Diep.

De voor zover bekend eerste vliegtuigtelling ooit was die van G. J. van Oord op 5 oktober 1931. Vanuit een watervliegtuig probeerde hij die dag het aantal vogels te tellen op hoogwatervluchtplaatsen in het Waddengebied. Hij kwam tot een schatting van een half miljoen wadvogels.

Tegenwoordig worden vliegtuigen ingezet om de watervogels te tellen op het Nederlands Continentaal Plat en het IJsselmeergebied. Hoe dat in zijn werk gaat, valt te lezen in het interview met Mennobart van Eerden. Tientellen jaren lang het vliegtuig in, iedere maand weer!

Lees voor een impressie van watervogeltellingen ook de interviews met: