Tijdsbeeld: Pan-Europese samenwerking

De Europese bezigheden van Sovon kregen rond 1988 een krachtige impuls. Dat kwam door een grotere betrokkenheid bij de Europese broedvogelatlas.  Daarnaast begonnen we met een nieuwsbrief voor landelijke coördinatoren van vogeltellingen (International Bird Census Committee; IBCC) of de Europese broedvogelatlas (European Ornithological Atlas Committee; EOAC). Het waren boeiende tijden vol politieke omwentelingen. Langzaam maar zeker groeide de Europese samenwerking.

Europese broedvogelatlas

Sovon-Nieuws 9(4): 1996
Sovon-Nieuws 9(4): 1996 Presentatie van de Europese Atlas op de Landelijke Dag

In de jaren zeventig publiceerden verschillende Europese landen, waaronder Nederland, hun eerste broedvogelatlas.  Dat smaakte naar meer…zou een Europese broedvogelatlas niet mogelijk zijn? Er bestond weliswaar de Atlas van de Europese vogels van Voous uit 1960, maar de verspreiding was daarin noodgedwongen nogal vaag aangegeven. Dat moest inmiddels toch gedetailleerder kunnen?

De gedachten daarover kregen meer vorm op een internationale bijeenkomst in Dijon (Frankrijk) in 1985. Zo vlot als de neuzen dezelfde kant op gingen (ja, we willen een Europese atlas!), zo stroperig was aanvankelijk het vervolgtraject. Het ontbreken van financiën voor een Europese coördinator, gebrek aan goede data in sommige landen, onwil of onmacht bij bepaalde spinnen in het nationale web…het project wilde maar niet van de grond komen.

Daarin kwam verandering rond 1987 en we mogen zonder overdrijving zeggen dat Sovon daarin een voortrekkersrol speelde. Johan Bekhuis stortte zich met hart en ziel op het project, later afgewisseld door Ward Hagemeijer (zie ook de interviews). Ook de Britten ontwaakten uit hun wat afwachtende houding en gingen hard aan het project trekken. Geholpen door politieke omwentelingen in Oost-Europa (zie hieronder) kwamen de tot dan toe moeizaam verlopende contacten met deze landen in een stroomversnelling, wat tot een toevloed aan data leidde.

Rond 1992 waren de gegevens van de meeste landen in ruwe vorm beschikbaar. Het binnenhalen van de laatste gegevens, de controle, het schrijfwerk en de redactie kostten echter nog veel tijd. Pas in 1997 werd het ei gelegd, een mijlpaal binnen de Europese ornithologie.

Inmiddels zijn de gegevens van de meeste landen alweer een kwart eeuw oud. Een periode waarin de Europese vogelbevolking net zo snel als het landschap veranderde en waarin bijvoorbeeld effecten van klimaatverandering goed zichtbaar werden. Alle reden dus om te gaan werken aan een nieuwe  broedvogelatlas die de verspreidingsbeelden zal actualiseren en vergelijking met de vorige atlas mogelijk maakt. De nieuwe atlas, deels in boekvorm en deels online, wordt voorzien voor het jaar 2020.

 

Bird Census News

De eerste Bird Census News
De eerste Bird Census News
 

In 1987 kwamen de landelijke coördinatoren van vogeltellingen bijeen in Helsinki voor het zoveelste IBCC/EOAC-congres.  Een wederom inspirerende gebeurtenis, maar iedereen vond het nuttig om ook tussen de congressen door contact te houden. Dat zou kunnen door de periodieke uitgave van een eigen nieuwsbrief.

En zo werd het tweemaal per jaar verschijnende Bird Census News geboren. Het werd van 1988 tot en met 1992 draaiende gehouden door Sovon, met een fenomenale inzet van de onbezoldigde redacteur Rob Bijlsma. De eerste nummers werden nog met de typemachine vervaardigd en vervolgens gefotokopieerd, dubbelgevouwen en van een nietje voorzien. Het resultaat was een heerlijk informeel en eenvoudig convocaat.

Maar wat een enthousiasme! Er werden volop discussies gevoerd over het op elkaar afstemmen van veld- en uitwerkmethoden en de voor en tegens bij Europa-brede monitoring. Coördinatoren gaven een beeld van de voortgang van het ornithologische atlasproject, of andere telprojecten, in hun land. Soms werd een bepaalde vogelsoort uitgelicht om de voordelen van internationale samenwerking te demonstreren. Een voorbeeld is het artikel door Johan Bekhuis en Peter Meininger over de uitbreiding van de Zwartkopmeeuw richting West-Europa. Specialisten deden de haken en ogen bij het inventariseren van ‘ hun’  soort uit de doeken, zoals Willem van Manen voor de Ransuil.

Na 1992 nam Anny Anselin van het INBO in Brussel het stokje over. Bird Census News kreeg onder haar redacteurschap (dat nog steeds loopt!) een professioneler uiterlijk en een nog bredere inhoud. In recente nummers, vanaf 2012 alleen online verschenen, is er onder andere aandacht voor nieuwe technieken om verspreidingsbeelden te modelleren en het gebruik van losse waarnemingen binnen monitoring, naast pakweg artikelen over monitoringprojecten op de Galapagos of het inventariseren van spechten in de Kroatische bergen.

 

Spannende tijden

We kunnen het ons bijna niet meer voorstellen, maar tot 1988 werd Europa doorkliefd door het ‘IJzeren Gordijn’. In Oost-Europa, sterk onder de knoet van de Sovjet-Unie, bestonden er tal van beperkingen voor de burgers, en dus ook vogelaars. Het uitwisselen van informatie ging uiterst moeizaam, voor reizen golden allerlei beperkingen en omgerekend in westerse valuta waren Oost-Europese vogelaars straatarm in vergelijking met hun West-Europese collegae.

Dat was  te merken op internationale congressen. De eerste bijeenkomsten van de IBCC/EOAC waren vooral een West-Europese aangelegenheid. Oost-Europeanen kregen eenvoudigweg geen uitreisvisum of konden de reis naar de conferentieoorden niet betalen.

Tussen 1988 en 1990 veranderde veel! In korte tijd brokkelden de muren tussen oost en west af. De Sovjet-Unie verlichtte onder Gorbatsjov de ijzeren greep op Oost-Europa en viel vervolgens in verschillende republieken uiteen. Zittende dictatoriale regimes in Oost-Europa verdwenen, vaak zonder al te veel strubbelingen, soms echter zoals in Roemenië met excessief veel geweld.

Ineens vervielen voor de Oost-Europeanen veel reisbeperkingen, uiteraard op het aanhoudende geldgebrek na. Ook daarin kwam gaandeweg verbetering door opbloeiende economieën en soms wat hulp vanuit het westen. Zo waren er op de bijeenkomst van de IBCC/EOAC in 1992 in Noordwijk afgevaardigden uit vrijwel alle Europese landen.

 

Pan-Europese broedvogelmonitoring

De Europese samenwerking bij monitoring is heel klein begonnen. Dat geldt voor het afstemmen van methoden maar ook voor het integreren van resultaten. Door Sovon in 1988 en 1992 uitgebrachte rapporten konden niet veel meer zijn dan een eenvoudige beschrijving van veldwerkmethoden en indexen. Er waren welgeteld zeven (1988) en negen (1992) landen bij betrokken.

Hoe anders is het nu! De European Bird Census Council (EBCC), waarin de ‘oude’  IBCC en EOAC zijn opgegaan, produceert jaarrapporten met klinkende cijfers. Inmiddels leveren 27 Europese landen resultaten van hun eigen monitoringprojecten aan. De startdatum van deze projecten varieert van 1966 (Groot-Brittannië) tot 2009 (Luxemburg).

Het is in toenemende mate mogelijk om een Europa-breed beeld te geven van de trends van broedvogels. Eerst wordt gekeken of de landelijke trends inderdaad voldoende representatief zijn. Daarnaast worden de nationale trends ‘gewogen’.  Het is immers onzin om de trend van bijvoorbeeld de Fluiter in het kleine Nederland op Europese schaal even veel gewicht te geven als die in pakweg Duitsland.

Farmland Bird Index
Farmland Bird Index

Het meest bekend is de Farmland Bird Index (index voor de boerenlandvogels). Die geeft duidelijk de deplorabele toestand aan van de boerenlandvogels in geheel Europa. Inmiddels is deze index een ‘begrip’ geworden, niet alleen voor de tellers maar ook voor politici en beleidsmakers. Hopelijk leidt het daarmee tot een ommekeer in de teloorgang van de biodiversiteit in het agrarisch gebied.

Momenteel is het mogelijk om van 163 soorten broedvogels te zeggen of ze in Europa in aantal vooruitgaan of juist afnemen. Ook tellingen buiten de broedtijd worden in toenemende mate binnen Europa kortgesloten. Daar komen we in een volgende aflevering op terug.

 

Links: