Toen en nu: Canadese Gans en andere verschijnselen

Het veldwerk voor de ‘Winter- en trekvogelatlas’ bracht veel nieuws aan het licht. Door de bundeling van enkele duizenden vogeltellers ontstonden kaartbeelden met een voorheen onhaalbare volledigheid. Interessante weerkundige fenomenen deden een extra duit in het zakje.

(Grote) Canadese Gans: van schaarse wintergast tot talrijke broedvogel

Canadese Gans | Fotograaf Harvey van Diek
Canadese Gans|Fotograaf: Harvey van Diek

Eind jaren zeventig stond de Canadese Gans te boek als een schaarse wintergast die vooral in strenge winters te verwachten was. Er waren amper broedparen in ons land.

De winter van 1978/79, de eerste van de vijf tijdens de nieuwe atlas, was meteen een strenge. Hij is tot op heden niet meer overtroffen wat sneeuwval en vorst betreft. Streng winterweer zette rond Oudjaar in en hield – onderbroken door korte dooiperiodes-  tot diep in februari aan.

Het leverde een influx van Canadese Ganzen op die door Sjoerd Dirksen beschreven werd, waarbij de atlastellers veel materiaal leverden. Hoewel de aantallen in ons land in januari sterk toenamen, bereikten ze hun pas in februari met 600-700 exemplaren. Eind maart waren ze weer weg.

Het ging om vogels van de (van oorsprong uitgezette) Zweedse populatie. Vogels die normaliter in Zuid-Zweden, Denemarken en Noord-Duitsland overwinterden en nu door de bijna-arctische omstandigheden waren uitgeweken.

Tegenwoordig zullen Zweedse vogels, als ze al naar ons land uitwijken, bijna ‘verdrinken’ in de eigen populatie. Bij de laatste landelijke telling, in 2008, waren er 4200 broedparen in ons land en in de winter van 2009/10 werden 27.000 exemplaren geteld. Op wat Duitse vogels na allemaal ‘eigen’ ganzen.

Vroege en late voorjaren

Vroege en late voorjaren. Fitis. Harvey van Diek
Fitis | Fotograaf Harvey van Diek

Maart 2013 was ongewoon koud met wekenlange harde noordoostenwinden. Het leverde veel gespreksstof onder vogelaars op. Vooral de late aankomst van veel zomergasten viel op.

Ook in de atlasperiode 1978-83 waren opvallende weersverschijnselen gesprek van de dag. Maart 1981 was van de vijf maart-maanden in de atlasjaren veruit de zachtste. Met een gemiddelde etmaaltemperatuur van 8,1oC werd de hoogst bekende waarde voor maart zelfs benaderd.
Het gevolg was een vroege aankomst van verschillende soorten die eind maart net wel of net niet in ons land opduiken. Dit blijkt uit het aantal atlasblokken waarin ze gemeld werden. Vooral Boerenzwaluw, Fitis en Zwarte Roodstaart waren duidelijk vroeger dan in andere voorjaren.

 

Soort % blokken maart 1981 gem. % blokken overige jaren
Boerenzwaluw 20 6
Gele Kwikstaart 8 5
Fitis 35 10
Zwartkop 6 3
Zwarte Roodstaart 28 13

Tabel 1. Aankomst van enkele zomervogels in maart 1981, uitgedrukt in het aandeel atlasblokken met een melding en vergeleken met het gemiddelde van de overige jaren.

Grote Trappen op wintervlucht

Grote Trap in Groesbeek 2010 | Fotograaf Jan Jacobs
Grote Trap in Groesbeek, 2009|Fotograaf: Jan Jacobs

Wat betreft het voorkomen van de Grote Trap in Nederland is het atlasproject net op tijd geweest.
Zo begon de soorttekst van deze soort in de atlas. En terecht.

Grote Trappen in Nederland zijn uit het oosten van Duitsland afkomstig. Ze ondernemen die tocht alleen bij bar winterweer. Een invasie-achtig optreden in ons land is uit verschillende winters bekend, waarbij in het verleden de nodige ‘Trapganzen’ op hagelkorrels onthaald werden.

De aantallen in het brongebied namen echter sterk af, van ruim 4200 exemplaren in 1942 naar 560 in 1980. De kans op een noemenswaardige influx in Nederland nam daarmee ook sterk af.
Maar de laatste viel wel net in de atlasperiode! Extreme sneeuwval in de winter van 1978/79 dwong veel Grote Trappen naar ons land. Volgens een reconstructie door Peter de Knijff ging het om minstens 126 individuen.
De verliezen die in deze winter geleden werden, waren fors. Duitse onderzoekers rekenden op een verlies van enkele honderden vogels, een aderlating.

Toch is de Grote Trap niet uitgestorven aldaar. Een uitgebreid herstelprogramma heeft de soort voor Duitsland behouden. Maar door de aanleg van wintervoedervelden (bedoeld om een rampzalige uittocht te voorkomen) blijven de vogels ter plaatse.

Op een enkeling na, zoals de veelgefotografeerde vogel in de winter van 2009/10, die eerst Groesbeek aandeed en daarna in Zeeland en vervolgens Vlaanderen opdook.