De ‘Winter- en trekvogelatlas’ in 1987

​Na de succesvolle afronding van het eerste Sovon-project, de Broedvogelatlas, werd meteen gestart met een tweede atlasproject. Ook dit werd een succes, al waren er de nodige hobbels te nemen.

Een tweede atlasproject

De Broedvogelatlas had laten zien waartoe een bundeling van alle vogelaars in staat was: het in kaart brengen van de landelijke verspreiding van vogels, in dit geval broedvogels.

Velen, waaronder het bestuur van Sovon, waren van mening dat het bijzonder zinvol zou zijn om het in enkele jaren opgebouwde netwerk van kundige en gemotiveerde vrijwilligers in stand te houden om vervolgprojecten uit te voeren.

Nadat de broedvogels in kaart waren gebracht, was het een logische keus om de aandacht te verleggen naar vogels buiten de broedtijd. Daarmee raakte de term ‘Winter- en trekvogelatlas’ in zwang, al dekte deze niet helemaal de lading. Het was namelijk de bedoeling om de verspreiding van alle vogelsoorten gedurende iedere maand van het jaar in beeld te brengen. Trekvogels duiken immers in alle maanden op, en voor de volledigheid zouden de broedvogels meteen meegenomen worden.

Vijfjarig, ambitieus project

Voor het veldwerk werd, net als voor de Broedvogelatlas, vijf jaar uitgetrokken. Het project liep van oktober 1978 tot en met september 1983. Ieder atlasblok van 5x5 km werd geacht zodanig grondig te worden onderzocht dat er uiteindelijk kaarten konden worden gemaakt met de landelijke verspreiding van vogels in iedere maand van het jaar.

Een megaklus, die in deze vorm en op deze schaal niet eerder vertoond was, met uitzondering van – alweer - de Britten die ook nu weer eerder aan het experimenteren waren geweest, op een systematischer manier dan in Nederland.

Dynamisch duo aan het roer

Nadat Ray Teixeira te kennen had gegeven te stoppen als algemeen coördinator, werd uitgekeken naar een opvolger. Dat werd de 25-jarige Johan Bekhuis, die in maart 1979 begon. Nog geen half jaar later kreeg hij versterking in de vorm van Arend van Dijk.

Johan deed de algehele coördinatie, iets waarover hij uitgebreid vertelt in 'Mijn moment'. Arend verrichtte als ornithologisch medewerker onderzoek ter ondersteuning van het veldwerk. Een ervaren waarnemer bleek in 4-5 lange bezoeken per maand een vrijwel volledige soortenlijst op te kunnen stellen. Onervaren waarnemers hadden uiteraard meer bezoeken nodig om tot hetzelfde resultaat te komen.

Bovendien werd Arend in het hele land ingezet om blokken te inventariseren waarvoor geen lokale krachten gemobiliseerd konden worden. Zo nam hij onder andere grote delen van de Noordoostpolder en westelijk Noord-Brabant voor zijn rekening.

Computers en kinderziektes

De tweede atlas was het eerste project waarvoor de computer werd ingezet, in dit geval die van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Dat ging door allerlei omstandigheden bepaald niet van een leien dakje. Het leidde wel eens tot frustratie bij zowel waarnemers als CBS-ers, om van de coördinatoren maar niet te spreken.

De inzet van computers was echter richtinggevend voor volgende projecten. En de samenwerking met het CBS kreeg een solide basis en is tot op de dag van vandaag blijven bestaan.

Langdurige bevalling

Was het veldwerk voor de atlas in september 1983 voltooid, het zou nog geruime tijd duren voordat de atlas het licht zag.

Er was een forse achterstand bij het verwerken van de veldgegevens opgetreden. Hierdoor duurde het lang voordat schrijvers aan het werk gezet konden worden. En dat waren voornamelijk vrijwilligers die het in de vrije tijd moesten doen. Ze kregen 5 cm dikke pakketten met computeruitdraaien uitgestuurd, een pittige klus om die door te vlooien.

De redactiefase verliep voor huidige begrippen omslachtig omdat de computer zijn intrede nog niet had gedaan op het Sovon-kantoor. Manuscripten werden vele malen met de hand uitgetypt en gecorrigeerd - liters tipp-ex werden gebruikt – en over en weer gestuurd met de post.

Uiteindelijk lag er een dik manuscript maar liepen potentiële uitgevers niet te hoop. Het Sovon-bestuur nam het gedurfde besluit om de uitgave in eigen beheer uit te brengen. De daartoe opgerichte ‘Technische Commissie’ onder leiding van Jan van der Straaten kweet zich van deze taak.

Presentatie

Kuifleeuwerik | Fotograaf Harvey van Diek
Vogelaars en persmensen op de boot in de Biesbosch, in het najaar van 1987. Het gezelschap is op excursie nadat in het bezoekerscentrum de tweede vogelatlas, voor winter- en trekvogels, gepresenteerd is. Foto: Harm Meek

In 1987 was het eindelijk zover. In oktober werd de atlas aan de pers getoond in het bezoekerscentrum in de Biesbosch. Op de Landelijke Dag van dat jaar, de achtste 'echte Sovon-dag' op rij, konden de veldmedewerkers het boek aanschaffen tegen een zacht prijsje.

Dat leverde een onvoorziene drukte op. De voorraad uitgestalde boeken was snel verkocht, zodat tussentijds nieuwe stapels gehaald moesten worden uit de kelders van het Rijksinstituut voor Natuurbeheer, waar Sovon destijds huisvesting had.

Aan het eind van de dag waren vele duizenden atlassen over de toonbank gegaan.