Broedvogelatlas 1979: steen in een vijver

Het is een van de meest voor de hand liggende vragen: hoeveel broedvogels hebben we in ons land? Maar het is tegelijkertijd bijzonder moeilijk om dat aantal voor iedere soort te bepalen. De eerste serieuze pogingen gingen niet zonder slag of stoot.

Eerste vingeroefeningen
Op enkele uitzonderingen na was er tot in de jaren zestig van de 20e eeuw vrijwel niets bekend over de aantallen broedvogels in ons land. De eerste poging om van alle soorten een statusaanduiding te geven kwam van de Commissie Nederlandse Avifauna in 1962. De aanduidingen waren gevoelsmatig goed gekozen, maar gekoppeld aan aantalsklassen die een slag in de lucht waren. Een ‘vrij schaarse’ broedvogel werd geacht in 250-2500 broedparen voor te komen, een ‘talrijke’ broedvogel in 10.000-50.000 paren.
Die aantallen waren in feite op niets gebaseerd aangezien er amper grootschalige inventarisaties plaatsvonden. Toen dat wel het geval was, wilde niet iedereen de uitkomsten meteen geloven.

Opkomende inventarisaties
Eind jaren zestig en in de jaren zeventig kwamen allerlei regionale initiatieven op gang om de vogelwereld van de eigen omgeving kwantitatief vast te leggen. Het leverde vele lokale broedvogelrapporten op naast streekavifauna’s van bijvoorbeeld Noord-Holland-noord, Midden-Nederland en het gebied van de Grote Rivieren.
Daarbij begon men zich gaandeweg te realiseren dat een betrouwbare broedvogelinventarisatie heel wat tijd en energie kost, en gebaat is met een duidelijk omschreven, door iedereen gehanteerde methode.
Een van de eerste aanzetten daartoe was de ‘Handleiding tot het inventariseren van broedvogels’ van de Vogelwerkgroep Grote Rivieren. Daarin waren zowel algemene als soortgerichte aanwijzingen te vinden voor het inventarisatiewerk.

Aantallen in de Broedvogelatlas
Het veldwerk voor de eerste Broedvogelatlas, 1973-1977, viel in de periode van opkomende inventarisatiewerkzaamheden. Er werd geprobeerd om een beredeneerde aantalsschatting op te nemen van alle vogelsoorten. Dat werd in hoofdzaak overgelaten aan deskundigen, veelal de schrijvers van de soortteksten. Zij gebruikten voor deze schattingen literatuur, eigen tellingen, regionale publicaties en aantalsopgaven van atlasmedewerkers, voorzover beschikbaar. Achteraf gezien een ratjetoe aan methoden maar toch – right or wrong – leidend tot de beste aantalsopgaven tot dan toe.

‘Grote teleurstelling, zelfs ergernis’
De publicatie van de verspreidingskaarten en – vooral – de aantalsopgaven in de Broedvogelatlas ging niet zonder commotie gepaard. Waar de meeste lezers aannamen dat de informatie in de atlas de best beschikbare was, meenden sommigen het beter te weten. Dat is goed te volgen in de kolommen van Het Vogeljaar, waar voor- en tegenstanders enkele jaren in verhit dispuut raakten.
De kern van de zaak was steevast het beperkte eigen referentiebeeld. Uitgaande van de eigen ervaring (doorgaans gestoeld op indrukken en niet op systematische inventarisatie) twijfelde men openlijk aan de in de atlas genoemde getallen. ‘Bij vele soorten heb ik verzucht: dit kàn niet waar zijn!’. Men kon zich eenvoudigweg niet voorstellen dat er nog zulke aantallen broedvogels voorkwamen in Nederland, waar ook toen al geklaagd werd over afnames bij veel soorten.
De beargumenteerde weerlegging van deze kritiek kwam onder andere van Kees Swennen (eminent langjarig onderzoeker, gespecialiseerd in Eiders) en Ray Teixeira (eindredacteur van de atlas). Het neemt niet weg dat er, vooral onder oudere generaties, nog lang ongeloof bleef heersen over de in de atlas genoemde aantallen.

En achteraf?
Na publicatie van de atlas zijn vele aantalsopgaven nog eens tegen het licht gehouden. In een enkel geval (Ringmus) kan niet worden uitgesloten dat de schatting te hoog uitkwam. Maar in het merendeel van de gevallen bleek de schatting goed tot zelfs (veel) te laag te zijn. In een aantal gevallen is dat ook gekwantificeerd aan de hand van een uitgebreide rondvraag onder vogelaars die over ongepubliceerde tellingen bleken te beschikken. Voorbeelden zijn:

 

Soort Aantal atlas Werkelijk aantal
     
Buizerd 1650 2000-2500
Zomertortel 25-35.000 40-50.000
Boomleeuwerik 800-900 1000-1200
Roodborsttapuit 2400-2600 4100-5800
Kruisbek 25-75 350-400