Programma NOU

NOU Landelijke Dag Sovon De Nederlandse Ornithologische Unie (NOU) heeft een lezingprogramma met als thema:

  • (on)aangepast gedrag in nieuwe habitats. 

Dagvoorzitters: Thomas Lameris en Eva Kok

 

Een overzicht van het volledige programma is beschikbaar op de dag zelf. Printen is dus niet nodig. 

Let op, het is niet mogelijk om voor een specifieke lezing te reserveren. Je kunt wel je voorkeur doorgeven, zodat we vantevoren kunnen bepalen welke lezingen we gaan herhalen.

10.10 - 10.35
Passen vogels zich aan wanneer ze leven in de stad?

Wouter Halfwerk - Assistant Professor - Ecological Sciences, VU University Amsterdam

Mensen veranderen hun omgeving in een ongekende snelheid en op een ongekend grote schaal. Een van de processen waar veel vogelsoorten in onze huidige tijd mee te maken hebben is verstedelijking. Grote steden verschillen fundamenteel van het habitat dat er voor heeft plaatsgemaakt en de vraag is of en hoe vogels zich hier aan kunnen aanpassen. Twee belangrijke factoren waar stadse vogels mee te maken hebben zijn lawaai- en lichtvervuiling. Dit verstoort de fysiologie, communicatie en informatie verwerking. We weten van aardig wat soorten hoe ze reageren op deze veranderingen van de leefomgeving, maar de vraag is in hoeverre dit vogels heeft geholpen. Zo zien we bijvoorbeeld dat vogels eerder beginnen te zingen op plekken die zowel 's nachts verlicht als lawaaiig zijn, maar in hoeverre dit hun broed succes positief, dan wel negatief beïnvloed is minder duidelijk. Ook zien we dat vogels harder en hoger gaan zingen als ze worden blootgesteld aan lawaai. Dit lijkt op korte termijn een voordeel op te leveren, maar op lange termijn is minder duidelijk hoe deze verandering voor vogels uitpakt. Beter inzicht in de manier waarop vogels hun zintuigen gebruiken in een veranderende omgeving  stelt ons in staat te begrijpen en hopelijk te voorspellen welke soorten zich zullen aanpassen en biedt mogelijkheden om er voor te zorgen  dat het stedelijk gebied ook in de toekomst een rijk en divers vogelleven kent.

10.50-11.15
Verstedelijking speelt Slechtvalk in de kaart

Peter van Geneijgen - voorzitter Werkgroep Slechtvalk Nederland

Na de DDT crash in de jaren ‘60 -‘70” van de vorige eeuw heeft de Slechtvalk zich hersteld en is nu in Europa op een populatieniveau gekomen als nooit tevoren.

Dit is vreemd want het is zeer onwaarschijnlijk dat het voedselaanbod is toegenomen. De Noordwaartse stroom trekvogels in het begin van het broedseizoen van de Slechtvalk vormt wellicht een schier onuitputtelijke voedselbron maar daarna wordt het menu zeer eenzijdig. Als de jonge Slechtvalken opgroeien vormen Postduiven en Spreeuwen, getalsmatig maar liefst 60% van het voedsel en met uitzondering van de Gierzwaluw, haalt geen enkele andere soort de 5%. Het is dus helemaal de vraag of de Slechtvalk het zo goed blijft doen nu de Spreeuw in ras tempo keldert en de vergrijzing onder de duivenmelkers toeslaat.

Door de verstedelijking en met name hoogbouw is de oppervlakte geschikt leefgebied in het Europese laagland echter behoorlijk toegenomen. Als vogeljagers van open ruimtes hebben Slechtvalken zitplaatsen nodig met overzicht. Van daar uit moeten ze trekbewegingen van vogels over grote afstanden kunnen volgen. Voor de jachtvluchten is ook ruimte nodig zodat een prooi met grote snelheid verrast kan worden. In de beslotenheid van coulisselandschappen kunnen Slechtvalken niet uit de voeten maar de open ruimte daarboven is nu op veel plaatsen beschikbaar gekomen door de bouw van torens, schoorstenen en hoogspanningsmasten.

11.45-12.10

De “Landmeeuw”: hoe belangrijk is terrestrisch voedsel in het dieet van Kleine Mantelmeeuwen Larus fuscus in België?

Alejandro Sotillo -PhD student at Ghent University

De Kleine Mantelmeeuw voedt zich op een opportunistische manier en kan zich dus aanpassen aan plotse veranderingen in voedselbeschikbaarheid. Bijgevolg is hun aantal historisch toegenomen in gebieden die rijk zijn aan menselijke afval, bijvoorbeeld afkomstig van de visvangst, huishoudens in steden en de voedselindustrie. Tijdens het broedseizoen (mei tot juli), is visafval één van de belangrijkste voedselbronnen voor deze soort aan de Belgische Kust, maar door veranderingen in de Europese wetgeving zal deze geleidelijk aan verdwijnen. Dit zal ertoe leiden dat Kleine Mantelmeeuwen voornamelijk zullen moeten terugvallen op terrestrische opties om hun jongen te voeden. Met dit scenario voor ogen vragen we ons af: hoe belangrijk terrestrisch voedsel is in het huidige dieet van de jongen van de Kleine Mantelmeeuw?

Heeft het voeden van een jong met een 100% terrestrisch dieet gevolgen voor zijn groei en conditie? En is het dus mogelijk dat deze populatie Kleine Mantelmeeuwen volledig afhankelijk wordt van terrestrische voedsel in de nabije toekomst? Om antwoorden te vinden op deze vragen maken we gebruik van een drie-methoden aanpak: een combinatie van GPS tracking, stabiele-isotopen analyse en experimenten met jongen die in gevangenschap opgroeien

12.15-12.30
De comeback van zwarte sterns als broedvogel in het veenweidegebied van Noordwest-Utrecht

Leen Heemskerk - Projectleider werkgroep zwarte stern bij de agrarische natuur- en landschapsvereniging “De Utrechtse Venen’

De zwarte stern kwam voorheen algemeen voor maar is in de periode tot 1980 sterk achteruit gegaan. Na 1980 zijn de aantallen van de soort gestabiliseerd, maar wel op een veel lager niveau.
Rond 1980 vreesde men dat de soort zou verdwijnen uit de waterrijke veenweidegebieden waarin de zwarte stern van oudsher een algemene broedvogel was. Met het verdwijnen uit agrarisch cultuurgebied zou de soort voor z’n behoud volledig afhankelijk worden  van moerasgebieden in beheer bij natuurinstanties.

In het veenweidegebied van Noordwest-Utrecht werd rond 1980 het aantal broedparen nog maar geschat op twintig tegenover 135 broedparen in 1968 – 1970, de eerste keer dat de soort in agrarisch Noordwest-Utrecht werd geïnventariseerd. De oprichting van Agrarische natuurvereniging “de Utrechtse Venen” in 1998 maakte het mogelijk om gestructureerd te gaan werken aan verbetering van de leefomstandigheden van de zwarte stern en met succes. De afgelopen vijf jaar bedroeg het aantal broedparen gemiddeld 225.

Betrekkelijk eenvoudige maatregelen als het uitleggen van vlotjes en randenbeheer bleken voldoende, maar niet alleen. Van invloed zijn ook geweest minder meetbare zaken als verbetering waterkwaliteit en bewustmaking van agrariërs hoe bijzonder het is als zwarte sternen op je bedrijf broeden.

Joost Tinbergen heeft gekeken naar achterliggende elementen van het succes en Leen Heemskerk zal daar wat over vertellen. Hij gaat ook op het project zelf in met toetsing aan eisen die zwarte sterns aan hun broedbiotoop stellen.

13.50-14.15

Costly mistakes: how ecological traps and perceptual errors put birds in jeopardy

James Gilroy - Postdoctoral Researcher at University of East Anglia, Norwich UK

Ecological traps arise when the habitat ‘cues’ animals use to identify good sites become unreliable. As the environment is increasingly modified by humans, more and more of these traps are being created, with potentially severe consequences for wild species. The ‘trap’ problem can also work in reverse: sometimes, human impacts make habitats appear unsuitable to wild species, when in reality they remain safe and productive. Farmers have been taking advantage of this effect for hundreds of years, by using scarecrows!  However, other versions of this ‘scarecrow effect’ are increasingly influencing the distributions of many species. Understanding how animals perceive their environment, and how their perceptual errors drive them to make bad decisions, is therefore becoming an important challenge for ecologists. In this talk, I will review recent progress in this field, and discuss whether we can harness our understanding of perceptual traps to improve the success of bird conservation.

14.30-14.55

Zwarte Leeuweriken op verlaten akkerland – een ecologische valkuil?

Thomas Lameris - PhD Student at NIOO-KNAW

Door de ineenstorting van de Soviet Unie in 1991 veranderde het landgebruik in de steppe regio van Centraal Azië drastisch en grote oppervlakten aan akkerland werden verlaten. Typische steppesoorten zoals de Zwarte Leeuwerik hebben zich sindsdien massaal gevestigd in dit nieuwe habitat, maar is hier sprake van adaptatie of een grove vergissing?

We vergeleken de broedecology van Zwarte leeuweriken in verlaten akkerland met het originele broedhabitat in de steppe. Populatiedichtheden van Zwarte Leeuweriken waren drie keer hoger in verlaten akkerland vergeleken met steppe, maar nestoverleving (door hoger predatierisico) en groeisnelheid van de kuikens was lager in verlaten akkerland. Vogels konden hiervoor niet compenseren door een tweede broedpoging te ondernemen. Het lijkt erop dat verlaten akkerland een ecologische valkuil vormt voor Zwarte Leeuweriken: ze worden aangetrokken om hier te broeden door een hoog voedselaanbod, maar kunnen hier vervolgens minder nakomelingen produceren. Momenteel verbetert de economische situatie in Centraal Azié met als gevolg dat veel verlaten akkerland weer in gebruik wordt genomen. De toekomst zal moeten uitwijzen welke gevolgen dit heeft voor de Zwarte Leeuwerik en andere steppesoorten.leermuizen zijn mysterieuze gasten in je tuin. Niet alleen verschijnen ze pas tegen schemertijd, maar hoe herken je welke soort het is? Eric Jansen gaat in op wanneer je de verschillende soorten in en om je tuin kunt aantreffen, hoe je soort en het gedrag kan herkennen en welke BAT-detectors je daarbij kunnen helpen.

15.20-15.45
Waarom broeden er nog grutto's in de polder?

David Kleijn - Professor Plantenecologie en Natuurbeheer, Wageningen Universiteit

Het vlaggenschip van de Nederlandse weidevogels, de grutto, gaat al decennialang in aantal achteruit. De overleving van de volwassen vogels is hoog en ze kunnen tot wel 30 jaar oud worden. Echter in de polders waar het vroeger in mei en juni wemelde van de gruttokuikens, krijgen oudervogels nu nog nauwelijks nageslacht groot. Desondanks blijven vogels terugkeren naar de gebieden waar ze uit het ei zijn gekropen en waar ze in de voorgaande jaren gebroed hebben. Soms tientallen jaren lang. Waarom blijven ze hardnekkig vasthouden aan oude gewoontes? Waarom leren deze vogels niet van hun fouten en passen ze zich niet aan? De zoektocht naar het antwoord op deze vraag begint bij de natuurlijke habitats waarin deze soort oorspronkelijk broedde. Hij voert langs het gedrag dat vermoedelijk optimaal aan dit soort habitats was aangepast. Hij staat stil bij de veranderingen die de mens in deze ecosystemen teweeg heeft gebracht, zowel direct via landgebruik als indirect via het klimaat. Hij zet de belangrijkste factoren op een rij die aan de basis liggen van de lage kuikenoverleving in het moderne boerenland. En hij eindigt bij een nieuwe vraag. Als grutto’s niet meer in staat zijn zich aan te passen, is de mens het dan niet aan zijn stand verplicht om zich aan te passen?

16.00-16.25

Scholeksters in het stedelijk gebied van Assen, van carrièreswitch tot spiegelgevecht

Bert Dijkstra - amateuronderzoeker

Helaas hoort de scholekster, net als de grutto en veldleeuwerik, tot het rijtje boerenlandvogels waar het erg slecht mee gaat. Uit de voorlopige resultaten van de vogelatlas blijkt dat de scholekster vooral in Drenthe op grote schaal achteruitgaat. Dit geldt ook voor het agrarisch gebied nabij Assen. Opvallend is de tegenovergestelde ontwikkeling in het stedelijk gebied van Assen. Hier blijft de stand gestaag toenemen. Het hoge broedsucces en de toestroom van agrarische vogels lijkt hierbij  een rol te spelen. Dankzij hun aanpassingvermogen blijken scholeksters heel goed in staat om zich in een stedelijk omgeving staande te houden. Vogels die het boerenland verlaten en het geluk in de stad zoeken, lijken deze overstap probleemloos te maken. Maar waarom maken ze die stap en hoe vergaat het agrarische vogels die het “hogerop” zoeken in Assen?

 

Aanmelden Landelijke Dag Sovon

Overzicht lezingen

Bekijk het volledige lezingenoverzicht door te klikken op onderstaande afbeelding

Schema alle lezingen Sovon-dag