Koekoek

Wetenschappelijke naam

Cuculus canorus

Engelse naam

Common Cuckoo

Rode Lijst

Kwetsbaar

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

6000-8000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

vrij klein aantal

Koekoek

Cuculus canorus

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Half april t/m juli

Datumgrenzen

10 mei t/m 25 juni

Tijd van de dag

Hele ochtend, maar hoogste roepactiviteit in schemering.

Aanwijzingen

Zang (mannetje, het bekende 'koekoek', soms met individuele karakteristieken), roep (giechelende, rollende 'bubbling-call'; vrouwtje), verdacht individu (mannetje in adverterende poste op geëxponeerde plek, vrouwtje langdurig postend in boomtoppen of in een laag vluchtje over open gebied reactie provocerend van bijv. broedende Graspiepers), bedelende of pas uitgevlogen jonge vogel (doordringend, op tientallen meters hoorbaar tingelend geluid).
LET OP: soort is nauwelijks territoriaal, kent geen echte paarband en bestrijkt enorme gebieden. Roepende mannetjes kunnen zich tussen verschillende zangposten snel over honderden meters tot meer dan 1 km verplaatsen en vliegen door elkaar heen. Wijfjes zijn gespecialiseerd op een enkele waardvogelsoort (soms met een bij-waardvogelsoort) en zoeken terreinen op met hoge dichtheden van deze soort. Ze roepen echter weinig en het gedrag is kenmerkend maar valt alleen de ervaren waarnemer op.
Ga dus (noodgedwongen) uit van roepende mannen (vooral in ochtendschemer, als ze nog redelijk stationair zijn), met de overige waarnemingen als aanvulling. Houd er rekening mee dat roep over grote afstand te horen is (wellicht zelfs tot buiten telgebied). Teken roepplekken zo nauwkeurig mogelijk in (kruispeiling) en houd verplaatsingen bij.
Gevaar voor overschatting van de aantallen is reëel, vooral indien verschillende tellers aaneensluitende gebieden inventariseren (leg de veldkaarten naast elkaar en controleer dubbeltellingen i.v.m. verplaatsingen). In grote gebieden is nacontrole volgens methode Hellebrekers uitermate zinvol.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
bij 1-6 geldige bezoeken: 1 waarneming in de periode 10 mei t/m 25 juni
bij 7-13 geldige bezoeken: 2 waarnemingen waarvan 1 in de periode 10 mei t/m 25 juni
bij 14+ geldige bezoeken: 3 waarnemingen waarvan 1 in de periode 10 mei t/m 25 juni

Fusieafstand

1000 m

Bijzonderheden

In grote gebieden is methode Hellebrekers een nuttige check, waarmee serieuze overtelling voorkomen kan worden. De methode gaat uit van het per gespecialiseerd wijfje benodigde aantal waardvogels (er is een minimum aantal nodig), het aantal te leggen eieren en de (voor zover bekende) graad van parasitering binnen populaties van de bewuste waardvogel. Voor details zie Hellebrekers (2002).

Broedbiologie

Parasiteert op andere vogelsoorten in allerlei landschappen, van zeer open tot besloten. Meest gebruikte waardvogels in Nederland zijn Graspieper, Witte en Gele Kwikstaart, Heggenmus, Rietzanger en vooral ook Kleine Karekiet. Eileg van begin mei tot begin juli, vooral half mei-half juni. Aantal gelegde eieren sterk variabel in afhankelijkheid van aantal waardvogels (4-22 eieren, rond 10 meest gangbaar). Ei komt na 10-13 dagen uit, jong wordt 19-24 dagen in nest verzorgd (variatie afhankelijk van waardvogelsoort) en nog tot 2-3 weken na uitvliegen gevoerd.

Literatuur

Hellebrekers A.W. 2002. Inventarisatieperikelen: de Koekoek wordt zwaar overschat. SOVON-Nieuws 15(3): 16-17.

Broedtijd

De Koekoek is wijd verbreid in Nederland, maar is nergens talrijk. Hij bereikt de hoogste dichtheden in moerasgebieden en hier en daar in kleinschalig agrarisch cultuurlandschap. De dichtheid hangt af van het aanbod aan waardvogels. Ieder wijfje specialiseert zich immers op een enkele waardvogelsoort, al legt ze soms ook eieren bij andere soorten. Tegenwoordig vormen Kleine Karekiet, Heggenmus, Graspieper, Witte en Gele Kwikstaart de belangrijkste waardvogels. De stand nam sinds 1985 (en vermoedelijk eerder) flink af, al komt dat door methodologische problemen onvoldoende uit tellingen naar voren. Afname van veel waardvogelsoorten en van voedsel (vooral rupsen) speelt daarbij een hoofdrol.

Buiten broedtijd

Op spaarzame uitzonderingen na arriveert de Koekoek niet voor half april. Een maand later is de broedpopulatie waarschijnlijk compleet. Brits onderzoek wijst erop dat veel volwassen Koekoeken al eind juni, meteen na de eileg, wegtrekken. Jonge vogels, die nog lang van hun pleegouders afhankelijk zijn, vertrekken veel later. Ze kunnen in losse groepjes optreden als er lokale explosies van rupsen zijn. De laatste Koekoeken verdwijnen in september of begin oktober.