Huismus

Wetenschappelijke naam

Passer domesticus

Engelse naam

House Sparrow

Rode Lijst

Gevoelig

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

500.000-1.000.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

uiterst groot aantal

Huismus

Passer domesticus

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin maart t/m juni

Datumgrenzen

10 maart t/m 20 juni

Tijd van de dag

Gehele dag, met voorkeur voor de (vroege) ochtend.

Aanwijzingen

Zingende mannetjes (veelal op dakrand), paren (bij potentiële nestplaats) en aanwijzingen voor nest: nestbouw, bezoek aan waarschijnlijke nestplaats (nest zelf vaak niet zichtbaar, maar grassprieten of veertjes steken uit), transport van voedsel of ontlastingspakketjes, bedelende jongen in nest (vlak voor uitvliegen goed te horen, steken kopjes uit nestopening). Waarnemingen zoveel mogelijk per huisadres noteren of anders per huizenblok, en maak onderscheid tussen de geslachten. Bij hoge dichtheden (tegenwoordig ongewoon), als gespecificeerde telling onmogelijk is, aantal turven en hoogste aantal (voor 15 mei) delen door 1,5.
LET OP: Beste tijd is vóór half mei, daarna vliegen jongen van eerste legsel uit. Telling in stedelijk gebied bij voorkeur op zondagochtend (rustig). Indien mogelijk de achterkant van huizen eveneens controleren (vanaf steegje enz.), maar respecteer de privacy van de bewoners! Tellen bij boerderijen of andere geïsoleerde gebouwen in dit opzicht eveneens soms lastig; vraag toestemming tot betreding van erf of zoek vanaf openbare weg met de kijker daken van stallen en huizen af op mannetjes.
Oppassen met verwarring tussen broedplek en favoriete foerageerplek. In stedelijk gebied vaak hoge dichtheden bij stadsboerderijen, maneges en dierentuinen, maar zulke plekken zijn ook in trek om te foerageren en trekken vogels uit de omgeving aan (ga dus vooral uit van zingende vogels en nestaanwijzingen).
Traditionele nestplaatsen liggen onder dakpannen ('ouderwetse' oranje pannen) en in spouwmuren enz., maar er wordt ook gebroed in nesten van andere vogelsoorten (Ooievaar, Huiszwaluw), kunstmatige nestgelegenheid (voor Gierzwaluw, Spreeuw en Huismus), in klimop tegen huizen en onverwachten plekken (straatverlichting, bouwmachines). Nesten, indien zichtbaar, onmiskenbaar: rommelig, met veel strootjes en veren. In stallen vaak gemakkelijk zichtbaar (in de spanten).

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van adult mannetje in broedbiotoop, paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 10 maart t/m 20 juni

Fusieafstand

100 m

Bijzonderheden

In verband met het veelvuldig voorkomen van overtredingen van de Flora & Faunawet (bij sloop, renovatie, onderhoudswerkzaamheden) is DLG (Dienst Landelijk Gebied) bezig om een Soortenstandaard voor de Huismus op te stellen (is in de loop van het voorjaar 2011 verschenen). Hierin staat informatie over de soort, leefwijze en aanwijzingen voor mitigerende en compenserende maatregelen. Zie het artikel over soortenstandaards in het blad Groen 2013(10), p 6-10.

Broedbiologie

Broedt bijna altijd in losvaste kolonies en steevast in directe omgeving van menselijke bewoning, van steden tot geïsoleerde gebouwen (boerderijen, kastelen enz.). Eileg van eind maart tot begin augustus, met tamelijk synchrone eerste legpiek in tweede helft april/begin mei. Twee tot drie (soms vier) broedsels per jaar, meestal 4-6 eieren, broedduur 11-12 dagen, nestjongenperiode rond 17 dagen, uitgevlogen jongen worden 1-2 weken gevoerd.

Broedtijd

De Huismus was lange tijd de talrijkste Nederlandse broedvogel, maar moest die plek afstaan aan de Merel. Sinds 1975 of eerder zijn de landelijke aantallen vermoedelijk gehalveerd. De grootste afname lijkt voorbij: de recente aantallen schommelen. De verspreiding overlapt met die van concentraties mensen. Huismussen zijn het talrijkst bij oudere huizen in een deels groene, liefst wat rommelige omgeving aan stadsranden of op het platteland. In strakke nieuwbouwwijken en het versteende hart van grote steden zijn ze schaars of ontbreken ze bij gebrek aan nestgelegenheid en/of voedsel.

Buiten broedtijd

Het merendeel van de Huismussen brengt zijn hele leven door binnen een straal van enkele honderden meters van de geboorteplek. De meeste zwerfneigingen bestaan onder plattelandsmussen in de maanden augustus en september. Gerichte verplaatsingen op plekken waar amper Huismussen broeden komen voor eind maart/begin april en (in mindere mate) tussen half september en eind oktober. Grote zwermen op rijpend graan, tot in de jaren tachtig een normaal verschijnsel, zijn tegenwoordig schaars.