Broedvogels & Beheer; AVIS Back to index
 

Broedvogels en beheer

Avis
In veel Nederlandse natuurgebieden worden broedvogelkarteringen uitgevoerd. Het directe gebruik van deze gegevens in het natuurbeheer is echter tot op heden beperkt. Beheerders hebben in veel gevallen niet de tijd of de ecologische kennis om de lokale broedvogelgegevens in een bredere contekst te interpreteren; broedvogelkarteerders zijn vaak niet in staat om de resultaten te 'vertalen' naar praktische adviezen voor het beheer.

Hiervoor in een samenwerking van SOVON en Staatsbosbeheer de methode AVIS (AVifauna Informatie en evaluatie Systeem) ontwikkeld.
Deze methode is beschreven in het rapport 'Broedvogels en beheer' (3 Mb). Hieronder staat een aangepaste versie van een artikel dat is verschenen in De Levende Natuur van juli 1997.

Methode

De methode is gebaseerd op drie principes:
  1. het gebruik van ecologische soortengroepen in plaats van de afzonderlijke soorten
  2. het gebruik van informatie van andere goed ontwikkelde terreinen als referentie voor lokale broedvogelgegevens
  3. speciale aandacht voor schaarse en karakteristieke soorten als indicatoren voor habitatkwaliteit.

1. Ecologische vogelgroepen

Broedvogelkarteringen leveren een grote hoeveelheid informatie op. Een goed overzicht over deze gegevens is belangrijk om een snelle en efficiënte interpretatie mogelijk te maken. Wanneer de vogelbevolking wordt opgedeeld in groepen van soorten die ongeveer dezelfde eisen stellen aan hun leefmilieu, is de hoeveelheid gegevens overzichtelijker. Het verband tussen de aanwezige broedvogelbevolking en de terreinkenmerken wordt zo beter te overzien (tabel 1). Vervolgens kan de informatie van de afzonderlijke soorten worden geïnterpreteerd. Het werken met groepen van soorten heeft ook als voordeel dat toeval een minder grote rol speelt. Door een scala van oorzaken kan een soort in een goed broedbiotoop soms volledig, soms alleen in een bepaald jaar (vrijwel) ontbreken. Ook het omgekeerde is mogelijk.

Tabel 1. Voorbeeld van de samenstelling en habitateisen van enkele ecologische vogelgroepen van heidevogelgemeenschappen. Kritische soorten (zie 'indicatorsoorten') zijn cursief gedrukt.Een volledig overzicht van alle vogelgroepen kan worden gedownload.

Tapuit-groep (open zandige plekken en zeer korte, schrale vegetaties (heide, stuifzand)): Steenuil, Kuifleeuwerik, Boomleeuwerik, Duinpieper, Witte Kwikstaart, Tapuit
Korhoen-groep (open, structuurrrijke heide en hoogveen grenzend aan cultuurland): Bergeend, Korhoen, Patrijs, Scholekster, Kievit, Grutto
Wulp-groep (open heide, al dan niet grenzend aan cultuurland): Kwartel, Kemphaan, Watersnip, Wulp, Tureluur, Velduil, Veldleeuwerik, Graspieper, Gele Kwikstaart, Paapje, (Goudplevier)
Rietgors-groep (ruigtes en lage struwelen, veelal nat tot vochtig): Blauwborst, Paapje, Sprinkhaanzanger, Rietgors
Roodborsttapuit-groep (lage struwelen en heggen, hoge ruigten (heide, stuifzand en hoogveen)): Roodborsttapuit, Grasmus, Fitis, Grauwe Klauwier, Kneu
Geelgors-groep (open bos, bosranden, boomgroepen en kapvlakten met kale, zandige bodem): Nachtzwaluw, Draaihals, Groene Specht, Boomleeuwerik, Boompieper, Gekraagde Roodstaart, Klapekster, Geelgors, Ortolaan, (Hop)

De samenstelling van alle groepen kunt u hier downloaden als dbf-bestand: <vogelgroep.zip (12 kB)>

Het is belangrijk om deze vogelgroepen niet te verwarren met vogelgemeenschappen. Een vogelgemeenschap is een karakteristieke combinatie van vogelsoorten zoals die in een bepaald type biotoop kan worden aangetroffen. Deze gemeenschap kan worden opgedeeld in vogelgroepen met soortgelijke biotoopeisen of leefwijzen: de zgn. ecologische vogelgroepen (de vogelgemeenschap van een eiken-beukenbos bijvoorbeeld kan worden opgedeeld in onder meer broedvogels van struiklaag, holenbroeders van dikke loofbomen en roofvogels).

In totaal zijn 36 groepen onderscheiden (+ samenvoegingen van groepen), maar per landschapstype hoeft meestal maar met 7-10 groepen gewerkt te worden.

2. Referenties

Om de (on)volledigheid van een lokale broedvogelgemeenschap te kunnen bepalen, zou de samenstelling van de 'ideale' broedvogelgemeenschap bekend moeten zijn: de soorten en aantallen die hier zouden kunnen voorkomen indien de terreincondities optimaal zouden zijn. Om deze te bepalen zijn de soortensamenstelling en dichtheden bepaald van gebieden die in de huidige Nederlandse context als 'goed ontwikkeld' beschouwd kunnen worden, de zg. referentiegebieden.

Referentiegebieden

In de periode 1980-95 zijn in totaal ca. 1300 referentiegebieden gekarteerd. Het databestand van de BMP-proefvlakken van SOVON en de gegevens van de basiskarteringen is hierbij van grote waarde geweest. Omdat betrouwbare cijfers over dichtheden worden verzameld kan de informatie ook voor andere dan monitoring-doeleinden worden gebruikt.

Figuur 1. De ligging van 700 referentiegebieden uit het BMP en geselecteerde karteringen weergeven. Daarnaast zijn nog gegevens van 600 bosplots (verzameld door IBN-DLO) gegevens gebruikt.

Ligging van 700 referentiegebieden in Nederland
 

FOTO'S

Van een groot aantal referentiegebieden zijn ook foto's gemaakt. Zo kun je een idee krijgen hoe een goed ontwikkeld terrein er daadwerkelijk uitziet. Hieronder (figuur 2) zijn enkele voorbeelden weergegeven.
 
1130: kwelder (Terschelling) 2210: helmduin (Terschelling)
1130: kwelder (Terschelling) 2210: helmduin (Terschelling)
3200: levend hoogveen (Haaksbergerveen) 4141: zandige heide (Dwingelose heide)
3200: levend hoogveen (Haaksbergerveen) 4141: zandige heide (Dwingelose heide)
5432: rietmoeras op zeeklei (Harderbroek) 5610: rivierkleimoeras (Rijnstrangen)
5432: rietmoeras op zeeklei (Harderbroek) 5610: rivierkleimoeras (Rijnstrangen)
5744: laagveenmoeras (Wieden) 6120: zeekleigrasland (Kleimeer NH)
5744: laagveenmoeras (Wieden) 6120: zeekleigrasland (Kleimeer NH)
7206: eiken-berkenbos (Veluwezoom) 7221: essen-iepenbos (Savelsch bos)
7206: eiken-berkenbos (Veluwezoom) 7221: essen-iepenbos (Savelsch bos)
9330: droge ruigte (Maashorst NB) 7214: parelgras-beukenbos (Heilige Hallen, Duitsland)
9330: droge ruigte (Maashorst NB) 7214: een voorbeeld uit het buitenland: parelgras-beukenbos (Heilige Hallen, Duitsland)
Figuur 2 Voorbeelden goed ontwikkelde terreintypen

© Copyright SOVON & H. van Steenwijk
 

OPROEP

Meer foto's van goed ontwikkelde natuurgebieden in Nederland die als voorbeeld voor anderen kunnen dienen zijn van harte welkom. Als u dia's of foto's heeft die wij mogen gebruiken als referentie-voorbeelden, neem dan even contact op met Henk Sierdsema (024- 7410445 of Henk.Sierdsema@sovon.nl). Na digitalisatie krijgt u de foto's indien gewenst weer retour.

BROEDVOGELGEMEENSCHAPPEN

De bewerking van de gegevens heeft geresulteerd in een beschrijving van de broedvogelgemeenschap van ca 100 terreintypen, de zg. referenties. Per terreintype zijn de soortensamenstelling, de mediane en maximum dichtheid en presenties (bij meer dan vijf onderzochte referentiegebieden) beschreven (tabel 2).

Tabel 2. Voorbeeld van enkele kenmerkende soorten uit de referentie van mozaïek van droge en natte heiden (1990). Voor het bepalen van de referentie zijn inventarisatiegegevens gebruikt van onder meer het Dwingelderveld, het Wapserveld, de Kampina en de Strabrechtse Heide.

  mediane-dichtheid
(n/100ha)
maximum
(n/100 ha)
presentie
(%)
Dodaars 1.1 3.3 58
Wintertaling 4.6 8.3 88
Korhoen 0.3 3.8 23
Wulp 4.2 12.4 100
Tureluur 0.4 2.1 64
Veldleeuwerik 12.0 35.4 75
Blauwborst 0.4 3.7 47
Roodborsttapuit 4.6 7.6 94
Tapuit 1.3 11.8 52
Grauwe Klauwier 0.1 0.8 5
Geelgors 2.7 14.6 58

Per soort kunnen bovendien zg. ecologische profielen worden gemaakt. Per terreintype worden de mediane dichtheid en de maximum dichtheid weergegeven. Er ontstaat zo een beeld voor welke terreintypen een soort een grote voorkeur heeft.

Een pdf-bestand met de ecologische profielen (per soort de gemiddelde dichtheid in de verschillende terreintypen weergegeven) is te downloaden van: < www.sovon.nl/zip/ecologische_profielen_broedvogels.zip (380 kB) >

Figuur 3: Voorbeeld van twee ecologische profielen met gemiddelde dichtheden per terreintype.

Ecologisch profiel Dodaars
 
 

Ecologisch profiel Boomklever
 

3. Indicatorsoorten

Schaarse en karakteristieke soorten krijgen extra aandacht. Karakteristieke soorten zijn soorten met een duidelijke voorkeur voor een beperkt aantal terreintypen. De aan- of afwezigheid van deze soorten geeft meer informatie over de habitatkwaliteit dan de aan- of afwezigheid van andere soorten. Voor elk terreintype is een lijst van karakteristieke soorten opgesteld, vooral gebaseerd op literatuur (met name Flade, 1994) en de broedvogelgegevens van de referentiegebieden.

Schaarse en zeldzame soorten worden voor de natuurbescherming van meer belang geacht dan algemene soorten, omdat ze veelal kwetsbaar zijn. Belangrijk voor het terreinbeheer is echter niet alleen de zeldzaamheid van een soort, maar ook de zgn. 'veeleisendheid'. Dit geeft de mate aan waarin soorten eisen stellen aan hun habitat. Soorten met een brede biotoop- en voedselkeus worden 'weinig kritisch' (veeleisendheid 1), soorten met een smalle biotoopkeus en/of specifieke voedselvoorkeur worden 'kritisch' (veeleisendheid 3-4)genoemd. Over het algemeen komen in slecht ontwikkelde terreintypen vrijwel alleen 'weinig kritische' soorten voor, in goed ontwikkelde terreinen ook 'kritische' soorten. De aanwezigheid van kritische soorten zegt dus veel over de kwaliteit van de broedvogelgemeenschap en het terreintype. De indeling is niet gebaseerd op uitgebreid ecologisch onderzoek, maar bedoeld als hulpmiddel bij het terreinbeheer.

TOEPASSINGEN

Combinatiekaarten

Als eerste stap in de analyse van lokale broedvogelgegevens wordt aanbevolen om zg. combinatiekaarten te maken. In een combinatiekaart worden de verspreidingsgegevens van de soorten van een ecologische groep samen op één kaart gezet. Bij voorkeur wordt voor elke soort een ander symbool gebruikt. Op deze manier ontstaat een gedetailleerd beeld van de geschiktheid van het terrein voor de verschillende vogelgroepen. Zelfs in ogenschijnlijk geschikte terreindelen kan een vogelsoort of een vogelgroep slecht vertegenwoordigd zijn of juist goed vertegenwoordigd op plaatsen waar je het niet zou verwachten. Juist deze onverwachte zaken maken het belangrijk om naar het verspreidingspatroon van vogels te kijken en niet zonder meer uit te gaan van de algemene kennis over hun biotoopeisen.

Een vergelijking tussen de goed en slecht bezette terreindelen levert voor een beheerder waardevolle informatie op voor bijsturing van het beheer op lokaal niveau. Bovendien kunnen clusters van stippen laten zien welke terreindelen in potentie geschikt zijn voor kritische soorten. Of deze soorten daadwerkelijk voorkomen of zich kunnen vestigen hangt onder meer af van de soms zeer specifieke voedselkeus van deze soorten, de omvang van het terrein en de mate waarin het terrein geïsoleerd ligt van brongebieden.


Combinatiekaart Dwingelderveld (Roodborsttapuit-groep)
Figuur 4: Voorbeeld van een combinatiekaart. Hier zijn de verspreidingsgegevens van de soorten van Roodborsttapuit-groep samen in een kaart gezet. Voor elke soort is een ander symbool gebruikt. Hoewel in het onderzoeksjaar geen Grauwe klauwieren werden aangetroffen, zijn in voorgaande jaren voornamelijk op plaatsen met veel territoria van soorten van de Roodborsttapuit-groep wel territoria van de Grauwe klauwier bezet geweest.

In combinatiekaarten kunnen ook gegevens van verschillende vogelgroepen worden samengevoegd om bijvoorbeeld een verspreidingskaart van rietvogels of holenbroeders te maken. Van afzonderlijke soorten kunnen ook combinatiekaarten worden gemaakt door gegevens van meer jaren in een kaart te zetten. Zo ontstaat een beeld welke terreindelen het meest geprefereerd worden door deze soort.

Vergelijking met referenties

Het gebruik van ecologische groepen, referenties en indicatiewaarden maakt het mogelijk een bepaling van de huidige betekenis van een gebied, of gebiedsdelen, voor broedvogels uit te voeren.

De standaardprocedure is eenvoudig.Het onderzoeksgebied wordt eerst verdeeld in landschappelijke eenheden. Per deelgebied wordt een lijst opgesteld van de broedvogels met dichtheden per soort. Het is belangrijk, dat ook de nulwaarnemingen worden opgenomen in de lijst; hierdoor is het mogelijk 'niet aanwezige soorten' te onderscheiden van 'niet getelde'. Vervolgens worden de lokale broedvogelgegevens vergeleken met de referentie. De vergelijking met de hele broedvogelgemeenschap levert onder andere informatie op over soortenrijkdom en diversiteit. De vergelijking per ecologische groep levert informatie op over de aanwezigheid en/of de kwaliteit van bepaalde terreinkenmerken. Ook kan worden bepaald welke soorten een opvallend hoge of lage dichtheid hebben of volledig ontbreken.

Figuur 5: Voorbeelden van de vergelijking van de broedvogelgemeenschap van twee heidevelden met de referentie van natte heide met behulp van ecologische vogelgroepen. Hiervoor is de AMOEBE-benadering gebruikt. De dichtheid in de referentie is hiervoor op 1 (of 100%) gesteld.


Heidevogelgemeenschap van vochtige heide waarin vrijwel alle vogelgroepen goed zijn vertegenwoordigd. Alleen de Korhoen-groep ontbreekt vrijwel geheel; dit komt waarschijnlijk doordat er te weinig extensief (nat) grasland aanwezig is in de omgeving.
 


In dit gebied zijn twee vogelgroepen goed vertegenwoordigd; beide vogelgroepen van open heide. De overige vogelgroepen zijn sterk ondervertegenwoordigd. Struwelen, opslag, boomgroepen en/of geleidelijke overgangen van bos naar heide zijn waarschijnlijk slecht ontwikkeld.
 
 


Voorbeeld van een vergelijking van de broedvogelgemeenschap van een heideveld met de referentie van vochtige heide. Een aantal kenmerkende soorten ontbreekt in het terrein (Korhoen, Grauwe Klauwier) of komt in relatief lage dichtheden voor (Roodborsttapuit, Geelgors).
 
 
 

AVIS - Avifauna Informatie en evaluatie Systeem

Voor het uitvoeren van de rekenkundige bewerkingen is het computerprogramma AVIS ontwikkeld (zie ook het artikel in in De Levende Natuur van 1996  van Sierdsema en Holtland). Het programma is gemaakt voor beheerders, maar ook voor bijvoorbeeld vogelwerkgroepen is het programma een praktisch hulpmiddel om de resultaten van broedvogelkarteringen gemakkelijker te kunnen vertalen in beheersaanbevelingen.

In AVIS is de beschrijving opgenomen van de samenstelling van de ecologische vogelgroepen, de inhoud van de referenties en de indicatiewaarden. Met het programma kunnen de resultaten van broedvogelkarteringen vergeleken worden met de 'ideale' broedvogelgemeenschappen van de referenties. Dit kan zowel op het niveau van de gehele vogelgemeenschap als per ecologische groep. Het programma houdt rekening met de lijst van soorten die is gekarteerd; alleen gekarteerde soorten worden in de vergelijking betrokken.

AVIS levert geen kant en klare waardeoordelen over de lokale broedvogelgemeenschap. De uitkomsten laten alleen zien of in een (deel)gebied meer of minder soorten en/of broedparen zitten dan in de referentie. De gebruiker zal zelf moeten bepalen of hij op basis van deze vergelijking aanleiding ziet tot bijvoorbeeld ander terreinbeheer, afhankelijk van de beleidsdoelstelling (natuurfunctie, recreatie, etc.).

Meer over AVIS

Van de SOVON-homepage kunnen twee versies van van het programma worden gedownload. In de eerste versie van 11 MB zijn maar enkele foto's opgenomen. Deze versie is ook geschikt om AVIS 2 te updaten naar versie 3. In de tweede, volledige, versie zijn ruim 400 landschapsfoto's opgenomen (NB: deze foto's mogen alleen voor intern gebruik gebruikt worden) . Om karteringen in te kunnen voeren dient u de volgende gegevens in te voeren na opstarten van het programma: AVIS en 1005811. Als u gebruik wilt maken van de helpdesk dient u het programma officieel te registreren. Dit kost €  34,03 voor particulieren en € 226,89 voor instellingen/professioneel gebruik.


Download Avis 3 (windows installer, 70 MB)

 

Een voorbeeld - Het Dwingelderveld

In het Dwingelderveld, een heidegebied met vennen van 1300 ha in Drenthe, wordt sinds 1964 een groot aantal broedvogelsoorten (vrijwel) jaarlijks geteld. Naast de broedvogelgevens is ook veel informatie verzameld over terreinkenmerken en het gevoerde beheer. In het begin van de jaren zeventig dreigden grote delen van de heide dicht te groeien. In 1972 is daarom begonnen met het grootschalig verwijderen van opslag. In 1981 is, men om vergrassing te bestrijden gaan plaggen. Vanaf 1984 wordt het terrein ook begraasd door runderen.

Hoe hebben de vogels nu gereageerd op al deze ontwikkelingen? In onderstaande figuur is de aantalsontwikkeling van drie vogelgroepen geschetst; in dezelfde figuur zijn tevens de belangrijkste beheersmaatregelen in deze periode aangegeven. De Tapuit-groep is flink vooruitgegaan na de start van de begrazing; door begrazing zijn (ook door konijnen) veel kale plekken ontstaan op de hogere koppen in de heide. De Geelgors-groep en Roodborsttapuit-groep daarentegen zijn in aantal afgenomen. Hieruit zou dus geconcludeerd kunnen worden, dat de beheersmaatregelen (het verwijderen van opslag) negatieve gevolgen hebben gehad voor deze vogelgroepen.

ontwikkeling van drie vogelgroepen van heide en stuifzand in het Dwingelderveld van 1970 tot 1994
Figuur 6: De ontwikkeling van drie vogelgroepen van heide en stuifzand in het Dwingelderveld van 1970 tot 1994.

Voor een goede interpretatie van de gegevens is het beter ook de aantalsontwikkelingen van deze vogelgroepen in Nederland erbij te betrekken. Wanneer de trend van de verschillende vogelgroepen in het Dwingelderveld met die in Nederland als geheel wordt vergeleken (tabel 3), dan blijkt dat de Roodborsttapuit- en de Geelgors-groep het ten opzichte van de rest van Nederland helemaal niet zo slecht gedaan hebben. De Roodborsttapuit-groep is landelijk veel sterker afgenomen dan in het Dwingelderveld: relatief gezien hebben de vogels het dus goed gedaan. De Geelgors-groep is in de rest van Nederland ongeveer even sterk afgenomen als in het Dwingelderveld: blijkbaar heeft het verwijderen van opslag geen extra negatieve gevolgen gehad. De Tapuit-groep is landelijk ongeveer stabiel gebleven; deze vogelgroep heeft in het Dwingelderveld dus inderdaad sterk geprofiteerd van de begrazing.

Tabel 3. Vergelijking van de trend (aantalsontwikkeling) van drie vogelgroepen in het Dwingelderveld met de landelijke trend in 1969-1995.

  Dwingelderveld Nederland Dwingeloo t.o.v NL
Geelgors-groep 0 0/- 0/+
Roodborsttapuit-groep - -- +
Tapuit-groep ++ 0 ++

Hoe deze ontwikkelingen uiteindelijk gewaardeerd moeten worden hangt af van de gekozen doelstellingen voor het terrein. Een positieve trend hoeft niet per definitie positief gewaardeerd te worden. Denk bijvoorbeeld aan het ongewild dichtgroeien van een heideveld waar een sterk positieve trend van bosvogels duidt op een ongewenste ontwikkeling, indien het behoud van heide doelstelling is voor dat gebied.
 
 

Meer Weten?
Een uitgebreide beschrijving staat in het rapport "Broedvogels en beheer".

Dit rapport is als als pdf-bestand te downloaden:
Download rapport 'Broedvogels en beheer' (3 Mb).
Kaft rapport Broedvogels en beheer
 
Meer info:

Henk Sierdsema
Postbus 6521 
6503 GA Nijmegen 
tel: 024-7410410
henk.sierdsema@sovon.nl