![]() |
![]() |
![]() |
Broedvogels en beheer |
|
Hiervoor in een samenwerking van SOVON en Staatsbosbeheer de
methode
AVIS (AVifauna Informatie en evaluatie Systeem) ontwikkeld.
Deze methode is beschreven in het rapport 'Broedvogels
en beheer' (3 Mb).
Hieronder staat een aangepaste versie van een artikel dat is verschenen
in De Levende Natuur van juli 1997.
Tabel 1. Voorbeeld van de samenstelling en habitateisen van enkele ecologische vogelgroepen van heidevogelgemeenschappen. Kritische soorten (zie 'indicatorsoorten') zijn cursief gedrukt.Een volledig overzicht van alle vogelgroepen kan worden gedownload.
| Tapuit-groep | (open zandige plekken en zeer korte, schrale vegetaties (heide, stuifzand)): Steenuil, Kuifleeuwerik, Boomleeuwerik, Duinpieper, Witte Kwikstaart, Tapuit |
| Korhoen-groep | (open, structuurrrijke heide en hoogveen grenzend aan cultuurland): Bergeend, Korhoen, Patrijs, Scholekster, Kievit, Grutto |
| Wulp-groep | (open heide, al dan niet grenzend aan cultuurland): Kwartel, Kemphaan, Watersnip, Wulp, Tureluur, Velduil, Veldleeuwerik, Graspieper, Gele Kwikstaart, Paapje, (Goudplevier) |
| Rietgors-groep | (ruigtes en lage struwelen, veelal nat tot vochtig): Blauwborst, Paapje, Sprinkhaanzanger, Rietgors |
| Roodborsttapuit-groep | (lage struwelen en heggen, hoge ruigten (heide, stuifzand en hoogveen)): Roodborsttapuit, Grasmus, Fitis, Grauwe Klauwier, Kneu |
| Geelgors-groep | (open bos, bosranden, boomgroepen en kapvlakten met kale, zandige bodem): Nachtzwaluw, Draaihals, Groene Specht, Boomleeuwerik, Boompieper, Gekraagde Roodstaart, Klapekster, Geelgors, Ortolaan, (Hop) |
De samenstelling van alle groepen kunt u hier downloaden als dbf-bestand: <vogelgroep.zip (12 kB)>
Het is belangrijk om deze vogelgroepen niet te verwarren met vogelgemeenschappen. Een vogelgemeenschap is een karakteristieke combinatie van vogelsoorten zoals die in een bepaald type biotoop kan worden aangetroffen. Deze gemeenschap kan worden opgedeeld in vogelgroepen met soortgelijke biotoopeisen of leefwijzen: de zgn. ecologische vogelgroepen (de vogelgemeenschap van een eiken-beukenbos bijvoorbeeld kan worden opgedeeld in onder meer broedvogels van struiklaag, holenbroeders van dikke loofbomen en roofvogels).
In totaal zijn 36 groepen onderscheiden (+ samenvoegingen van groepen), maar per landschapstype hoeft meestal maar met 7-10 groepen gewerkt te worden.
Figuur 1. De ligging van 700 referentiegebieden uit het BMP en geselecteerde karteringen weergeven. Daarnaast zijn nog gegevens van 600 bosplots (verzameld door IBN-DLO) gegevens gebruikt.
FOTO'S
Van een groot aantal referentiegebieden zijn ook foto's gemaakt. Zo
kun je een idee krijgen hoe een goed ontwikkeld terrein er
daadwerkelijk
uitziet. Hieronder (figuur 2) zijn enkele voorbeelden weergegeven.
![]() |
![]() |
| 1130: kwelder (Terschelling) | 2210: helmduin (Terschelling) |
![]() |
![]() |
| 3200: levend hoogveen (Haaksbergerveen) | 4141: zandige heide (Dwingelose heide) |
![]() |
![]() |
| 5432: rietmoeras op zeeklei (Harderbroek) | 5610: rivierkleimoeras (Rijnstrangen) |
![]() |
![]() |
| 5744: laagveenmoeras (Wieden) | 6120: zeekleigrasland (Kleimeer NH) |
![]() |
![]() |
| 7206: eiken-berkenbos (Veluwezoom) | 7221: essen-iepenbos (Savelsch bos) |
![]() |
![]() |
| 9330: droge ruigte (Maashorst NB) | 7214: een voorbeeld uit het buitenland: parelgras-beukenbos (Heilige Hallen, Duitsland) |
| Figuur 2 Voorbeelden goed ontwikkelde terreintypen | |
BROEDVOGELGEMEENSCHAPPEN
De bewerking van de gegevens heeft geresulteerd in een beschrijving van de broedvogelgemeenschap van ca 100 terreintypen, de zg. referenties. Per terreintype zijn de soortensamenstelling, de mediane en maximum dichtheid en presenties (bij meer dan vijf onderzochte referentiegebieden) beschreven (tabel 2).
Tabel 2. Voorbeeld van enkele kenmerkende soorten uit de referentie van mozaïek van droge en natte heiden (1990). Voor het bepalen van de referentie zijn inventarisatiegegevens gebruikt van onder meer het Dwingelderveld, het Wapserveld, de Kampina en de Strabrechtse Heide.
| mediane-dichtheid (n/100ha) |
maximum (n/100 ha) |
presentie (%) |
|
| Dodaars | 1.1 | 3.3 | 58 |
| Wintertaling | 4.6 | 8.3 | 88 |
| Korhoen | 0.3 | 3.8 | 23 |
| Wulp | 4.2 | 12.4 | 100 |
| Tureluur | 0.4 | 2.1 | 64 |
| Veldleeuwerik | 12.0 | 35.4 | 75 |
| Blauwborst | 0.4 | 3.7 | 47 |
| Roodborsttapuit | 4.6 | 7.6 | 94 |
| Tapuit | 1.3 | 11.8 | 52 |
| Grauwe Klauwier | 0.1 | 0.8 | 5 |
| Geelgors | 2.7 | 14.6 | 58 |
Per soort kunnen bovendien zg. ecologische profielen worden gemaakt. Per terreintype worden de mediane dichtheid en de maximum dichtheid weergegeven. Er ontstaat zo een beeld voor welke terreintypen een soort een grote voorkeur heeft.
Een pdf-bestand met de ecologische profielen (per soort de gemiddelde dichtheid in de verschillende terreintypen weergegeven) is te downloaden van: < www.sovon.nl/zip/ecologische_profielen_broedvogels.zip (380 kB) >
Figuur 3: Voorbeeld van twee ecologische profielen met gemiddelde dichtheden per terreintype.


Schaarse en zeldzame soorten worden voor de natuurbescherming van meer belang geacht dan algemene soorten, omdat ze veelal kwetsbaar zijn. Belangrijk voor het terreinbeheer is echter niet alleen de zeldzaamheid van een soort, maar ook de zgn. 'veeleisendheid'. Dit geeft de mate aan waarin soorten eisen stellen aan hun habitat. Soorten met een brede biotoop- en voedselkeus worden 'weinig kritisch' (veeleisendheid 1), soorten met een smalle biotoopkeus en/of specifieke voedselvoorkeur worden 'kritisch' (veeleisendheid 3-4)genoemd. Over het algemeen komen in slecht ontwikkelde terreintypen vrijwel alleen 'weinig kritische' soorten voor, in goed ontwikkelde terreinen ook 'kritische' soorten. De aanwezigheid van kritische soorten zegt dus veel over de kwaliteit van de broedvogelgemeenschap en het terreintype. De indeling is niet gebaseerd op uitgebreid ecologisch onderzoek, maar bedoeld als hulpmiddel bij het terreinbeheer.
Een vergelijking tussen de goed en slecht bezette terreindelen levert voor een beheerder waardevolle informatie op voor bijsturing van het beheer op lokaal niveau. Bovendien kunnen clusters van stippen laten zien welke terreindelen in potentie geschikt zijn voor kritische soorten. Of deze soorten daadwerkelijk voorkomen of zich kunnen vestigen hangt onder meer af van de soms zeer specifieke voedselkeus van deze soorten, de omvang van het terrein en de mate waarin het terrein geïsoleerd ligt van brongebieden.

Figuur 4: Voorbeeld van een combinatiekaart.
Hier zijn de verspreidingsgegevens van de soorten van
Roodborsttapuit-groep
samen in een kaart gezet. Voor elke soort is een ander symbool
gebruikt.
Hoewel in het onderzoeksjaar geen Grauwe klauwieren werden
aangetroffen,
zijn in voorgaande jaren voornamelijk op plaatsen met veel territoria
van
soorten van de Roodborsttapuit-groep wel territoria van de Grauwe
klauwier
bezet geweest.
In combinatiekaarten kunnen ook gegevens van verschillende vogelgroepen worden samengevoegd om bijvoorbeeld een verspreidingskaart van rietvogels of holenbroeders te maken. Van afzonderlijke soorten kunnen ook combinatiekaarten worden gemaakt door gegevens van meer jaren in een kaart te zetten. Zo ontstaat een beeld welke terreindelen het meest geprefereerd worden door deze soort.
De standaardprocedure is eenvoudig.Het onderzoeksgebied wordt eerst verdeeld in landschappelijke eenheden. Per deelgebied wordt een lijst opgesteld van de broedvogels met dichtheden per soort. Het is belangrijk, dat ook de nulwaarnemingen worden opgenomen in de lijst; hierdoor is het mogelijk 'niet aanwezige soorten' te onderscheiden van 'niet getelde'. Vervolgens worden de lokale broedvogelgegevens vergeleken met de referentie. De vergelijking met de hele broedvogelgemeenschap levert onder andere informatie op over soortenrijkdom en diversiteit. De vergelijking per ecologische groep levert informatie op over de aanwezigheid en/of de kwaliteit van bepaalde terreinkenmerken. Ook kan worden bepaald welke soorten een opvallend hoge of lage dichtheid hebben of volledig ontbreken.
Figuur 5: Voorbeelden van de vergelijking van de broedvogelgemeenschap van twee heidevelden met de referentie van natte heide met behulp van ecologische vogelgroepen. Hiervoor is de AMOEBE-benadering gebruikt. De dichtheid in de referentie is hiervoor op 1 (of 100%) gesteld.
Heidevogelgemeenschap van vochtige heide waarin
vrijwel alle vogelgroepen goed zijn vertegenwoordigd. Alleen de
Korhoen-groep
ontbreekt vrijwel geheel; dit komt waarschijnlijk doordat er te weinig
extensief (nat) grasland aanwezig is in de omgeving.

In dit gebied zijn twee vogelgroepen goed
vertegenwoordigd;
beide vogelgroepen van open heide. De overige vogelgroepen zijn sterk
ondervertegenwoordigd.
Struwelen, opslag, boomgroepen en/of geleidelijke overgangen van bos
naar
heide zijn waarschijnlijk slecht ontwikkeld.

Voorbeeld van een vergelijking van de
broedvogelgemeenschap
van een heideveld met de referentie van vochtige heide. Een aantal
kenmerkende
soorten ontbreekt in het terrein (Korhoen, Grauwe Klauwier) of komt in
relatief lage dichtheden voor (Roodborsttapuit, Geelgors).
In AVIS is de beschrijving opgenomen van de samenstelling van de ecologische vogelgroepen, de inhoud van de referenties en de indicatiewaarden. Met het programma kunnen de resultaten van broedvogelkarteringen vergeleken worden met de 'ideale' broedvogelgemeenschappen van de referenties. Dit kan zowel op het niveau van de gehele vogelgemeenschap als per ecologische groep. Het programma houdt rekening met de lijst van soorten die is gekarteerd; alleen gekarteerde soorten worden in de vergelijking betrokken.
AVIS levert geen kant en klare waardeoordelen over de lokale broedvogelgemeenschap. De uitkomsten laten alleen zien of in een (deel)gebied meer of minder soorten en/of broedparen zitten dan in de referentie. De gebruiker zal zelf moeten bepalen of hij op basis van deze vergelijking aanleiding ziet tot bijvoorbeeld ander terreinbeheer, afhankelijk van de beleidsdoelstelling (natuurfunctie, recreatie, etc.).
Van de SOVON-homepage kunnen twee versies van van het programma
worden gedownload. In de eerste versie van 11 MB zijn maar enkele
foto's opgenomen. Deze
versie is ook geschikt om AVIS 2 te updaten naar versie 3. In de
tweede, volledige, versie zijn ruim 400 landschapsfoto's opgenomen (NB:
deze foto's mogen alleen voor intern gebruik gebruikt worden) . Om
karteringen
in te kunnen voeren dient u de volgende gegevens in te voeren na
opstarten van het programma:
AVIS en 1005811. Als u gebruik wilt maken van de helpdesk dient u het
programma officieel te registreren. Dit kost € 34,03 voor
particulieren
en € 226,89 voor instellingen/professioneel
gebruik.
Hoe hebben de vogels nu gereageerd op al deze ontwikkelingen? In onderstaande figuur is de aantalsontwikkeling van drie vogelgroepen geschetst; in dezelfde figuur zijn tevens de belangrijkste beheersmaatregelen in deze periode aangegeven. De Tapuit-groep is flink vooruitgegaan na de start van de begrazing; door begrazing zijn (ook door konijnen) veel kale plekken ontstaan op de hogere koppen in de heide. De Geelgors-groep en Roodborsttapuit-groep daarentegen zijn in aantal afgenomen. Hieruit zou dus geconcludeerd kunnen worden, dat de beheersmaatregelen (het verwijderen van opslag) negatieve gevolgen hebben gehad voor deze vogelgroepen.
Voor een goede interpretatie van de gegevens is het beter ook de aantalsontwikkelingen van deze vogelgroepen in Nederland erbij te betrekken. Wanneer de trend van de verschillende vogelgroepen in het Dwingelderveld met die in Nederland als geheel wordt vergeleken (tabel 3), dan blijkt dat de Roodborsttapuit- en de Geelgors-groep het ten opzichte van de rest van Nederland helemaal niet zo slecht gedaan hebben. De Roodborsttapuit-groep is landelijk veel sterker afgenomen dan in het Dwingelderveld: relatief gezien hebben de vogels het dus goed gedaan. De Geelgors-groep is in de rest van Nederland ongeveer even sterk afgenomen als in het Dwingelderveld: blijkbaar heeft het verwijderen van opslag geen extra negatieve gevolgen gehad. De Tapuit-groep is landelijk ongeveer stabiel gebleven; deze vogelgroep heeft in het Dwingelderveld dus inderdaad sterk geprofiteerd van de begrazing.
Tabel 3. Vergelijking van de trend (aantalsontwikkeling) van drie vogelgroepen in het Dwingelderveld met de landelijke trend in 1969-1995.
| Dwingelderveld | Nederland | Dwingeloo t.o.v NL | |
| Geelgors-groep | 0 | 0/- | 0/+ |
| Roodborsttapuit-groep | - | -- | + |
| Tapuit-groep | ++ | 0 | ++ |
Hoe deze ontwikkelingen uiteindelijk gewaardeerd moeten worden hangt
af van de gekozen doelstellingen voor het terrein. Een positieve trend
hoeft niet per definitie positief gewaardeerd te worden. Denk
bijvoorbeeld
aan het ongewild dichtgroeien van een heideveld waar een sterk
positieve
trend van bosvogels duidt op een ongewenste ontwikkeling, indien het
behoud
van heide doelstelling is voor dat gebied.
|
![]() |
![]() |
Meer
info: Henk Sierdsema Postbus 6521 6503 GA Nijmegen tel: 024-7410410 henk.sierdsema@sovon.nl |
![]() |